Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
12 april 2016.
Hoge Raad
De verdachte is door het Hof Den Haag veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf voor het voorhanden hebben van een pistoolmitrailleur. Tijdens het hoger beroep verzocht de verdediging om aanhouding van de behandeling van de zaak omdat de verdachte recent werk had gevonden en daardoor niet in de gelegenheid was om de zitting bij te wonen.
Het hof wees dit verzoek af omdat het onvoldoende was onderbouwd; er was geen bewijs geleverd van de arbeidsovereenkomst en de verdachte was niet verschenen. De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof weliswaar het verzoek onvoldoende onderbouwd vond, maar niet heeft vastgesteld dat de omstandigheid van recent werk niet aannemelijk was.
Volgens de Hoge Raad had het hof een belangenafweging moeten maken tussen het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang van een spoedige berechting en de organisatie van de rechtspleging. Omdat dit niet is gebeurd, vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het Hof Den Haag voor hernieuwde berechting.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Den Haag wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.