Conclusie
‘Het standpunt van de verdediging
Het oordeel van het hof
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof in strijd met het in art. 359, tweede lid, Sv gegeven voorschrift het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudende dat de verklaringen van de aangeefsters onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt, onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
tweedemiddel klaagt dat het hof ten onrechte de constructie van het schakelbewijs heeft toegepast, althans dat het gebruik van schakelbewijs ontoereikend is gemotiveerd. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de door het hof aangedragen omstandigheden die het gebruik van de verklaringen van beide aangeefsters als bewijsmiddel over en weer zouden moeten rechtvaardigen onvoldoende specifiek zijn om toepassing van schakelbewijs te legitimeren. De door het hof opgesomde overeenkomsten zouden voor zover al aanwezig weinig onderscheidend zijn. Er zou geen sprake zijn van een specifieke of bijzondere modus operandi die maakt dat de verklaringen over en weer steun kunnen bieden voor de ten laste gelegde gedragingen.
derdemiddel klaagt over de bijzondere voorwaarde die het hof heeft gesteld bij de (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf die het de verdachte heeft opgelegd. Het middel houdt kort gezegd in dat nu het hof de vorderingen van de benadeelde partijen wegens verjaring niet-ontvankelijk heeft verklaard, het niet de bijzondere voorwaarde had mogen stellen dat de verdachte de benadeelde partijen hun schade moet vergoeden. Volgens de steller van het middel is de beslissing van het hof rechtens onjuist dan wel is de strafoplegging op dit punt ontoereikend gemotiveerd.
Stb. 1986, 593 was komen te luiden, bepaalde in de bewezenverklaarde periode dat bij toepassing van art. 14a Sr als bijzondere voorwaarde kan worden gesteld: ‘gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade binnen een door de rechter te bepalen termijn, korter dan de proeftijd’. Het huidige art. 14c, tweede lid, Sr staat nog steeds toe dat deze bijzondere voorwaarde wordt gesteld. [16] Tegenwoordig mag de termijn daarbij gelijk worden gesteld aan de proeftijd; in zoverre is de wettelijke regeling in voor de verdachte gunstige zin veranderd. [17]
NJ1992/216 m.nt. Corstens heeft Uw Raad reeds overwogen:
NJ2010/459 leid ik af dat Uw Raad ook niet wil terugkeren van de in 1991 ingeslagen weg. In dat arrest stond de civielrechtelijke verjaring van een vordering van de benadeelde partij er niet aan in de weg dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr werd opgelegd. [26]