Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen het oordeel van het hof dat partijen geen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, waarmee het hof heeft miskend dat de bepaling in de huwelijksakte met betrekking tot de bruidsgave een vermogensrechtelijk karakter kan hebben.
Onderdeel 2bouwt op onderdeel 1 voort met het betoog dat partijen met het welbewust niet ondertekenen van onderdeel A op bladzijde 6 van de huwelijksakte wel degelijk hebben beoogd de vermogensrechtelijke gevolgen van hun huwelijk te regelen. Volgens het onderdeel is daarom het oordeel van het hof in rov. 5.10 van de beschikking van 6 maart 2018 onjuist dat geen sprake kan zijn van een geldige rechtskeuze omdat van huwelijkse voorwaarden geen sprake zou zijn.
Onderdeel 3bevat een voortbouwende klacht.
onderdelen 1 en 2kunnen gezamenlijk worden besproken. In cassatie is terecht onbestreden dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het recht dat op grond van het Huwelijksvermogensverdrag van toepassing is. De onderdelen stellen de vraag aan de orde in welke gevallen onder de toepassing van het Huwelijksvermogensverdrag sprake is van een geldige rechtskeuze. Het Huwelijksvermogensverdrag kent de mogelijkheid van het maken van een rechtskeuze vóór het sluiten van het huwelijk (art. 3) dan wel tijdens het huwelijk (art. 6). In beide gevallen is de rechtskeuze beperkt tot de keuze van de in deze artikelen genoemde rechtsstelsels. Bij gebreke van rechtskeuze, geldt het recht dat wordt aangewezen door de conflictregel van art. 4, dat in samenhang moet worden gelezen met art. 5 Huwelijksvermogensverdrag. Art. 7 Huwelijksvermogensverdrag kent in bepaalde gevallen een stelsel van een beperkte veranderlijkheid van het volgens de conflictregel aangewezen recht. Deze bepaling luidt als volgt (in de Nederlandse vertaling):
mahrof, in Marokko,
sadaq) is een rechtsfiguur van het islamitische recht. Het gaat om een betaling van de man aan de vrouw ter gelegenheid van de huwelijkssluiting. [9] De bruidsgave komt uitsluitend toe aan de vrouw, die hierover vrijelijk kan beschikken. Vaak wordt overeengekomen dat een deel van de bruidsgave pas later opeisbaar zal worden, namelijk in het geval van overlijden van de echtgenoot of bij ontbinding van het huwelijk. [10] De achtergrond hiervan is dat beide echtgenoten naar islamitisch recht in beginsel ieder hun eigen vermogen behouden, zodat de vrouw na ontbinding van het huwelijk geen recht heeft op een deel van het vermogen van de man. [11] Hierop bestaan in de verschillende rechtsstelsels weer uitzonderingen. Zo staat het Marokkaanse recht (art. 49 Marokkaanse Pro familiewet (Mudawwanah)) de echtgenoten toe afspraken te maken over het vermogen dat tijdens het huwelijk wordt verworven. [12] Ook in Iran lijkt, gelet op pagina 6 uit het trouwboekje in deze zaak, te kunnen worden overeengekomen dat de vrouw na de echtscheiding onder omstandigheden aanspraak kan maken op een deel van het vermogen van de man. Wanneer in islamitische rechtsstelsels een onderhoudsverplichting voor echtgenoten na ontbinding van het huwelijk ontbreekt, voorziet de uitgestelde bruidsgave dus in enige bestaanszekerheid voor de vrouw in geval van overlijden van haar man of echtscheiding. [13]
sui generisis, die een geheel eigen karakter heeft, leidt ertoe dat de bruidsgave niet met een andere (Nederlandse) rechtsfiguur te vergelijken is. Vanuit conflictenrechtelijk perspectief betekent dit dat de bruidsgave niet in een van de bestaande verwijzingscategorieën valt. Met de kwalificatie van een bruidsgave als rechtsfiguur
sui generisis echter nog niet bepaald welke rol de bruidsgave speelt bij (bijvoorbeeld) de verdeling van het huwelijksvermogen of bij de bepaling van de alimentatie. [30]
Onderdeel 1(onder a) klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de bruidsgave altijd een
sui generis-karakter heeft, terwijl de bruidsgave ook een huwelijksvermogensrechtelijk of alimentatierechtelijk karakter kan hebben. Verder klaagt het onderdeel (onder b) dat het hof heeft miskend dat de bruidsgave in dit geval moet worden gezien als een huwelijkse voorwaarde, onder meer omdat partijen deze zijn overeengekomen als ‘compensatie’ voor het feit dat het beding op pagina 6 van de huwelijksakte (over een eventuele aanspraak van de vrouw op een deel van het vermogen van de man na echtscheiding) niet is ondertekend.
sui generis-karakter heeft, maar geoordeeld dat de bruidsgave
naar Iraans rechteen geheel eigen karakter heeft en niet gelijk is te stellen met een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak of een onderhoudsverplichting. Het hof heeft daarbij gewezen op een eerdere uitspraak van datzelfde hof, die ook betrekking heeft op een bruidsgave naar Iraans recht. [36] Het hof heeft terecht van belang geacht op welke wijze de bruidsgave in het Iraanse recht is geregeld. Zoals uit mijn uiteenzetting over de bruidsgave volgt, kennen alle landen met een islamitisch rechtsstelsel weliswaar de bruidsgave, maar kan de regeling van de bruidsgave per land verschillen. Bovendien is van belang welke afspraken partijen over de bruidsgave hebben gemaakt en welke afspraken zij daarnaast nog meer hebben gemaakt. Nu in landen met een islamitisch rechtsstelsel de bruidsgave verschillend kan zijn geregeld, is het dus ook niet mogelijk om een eenduidige kwalificatie te geven die voor alle gevallen waarin een vraag over de bruidsgave speelt, kan worden gehanteerd. Het hof heeft dat ook niet gedaan, omdat zijn oordeel alleen betrekking heeft op het Iraanse recht. Het onderdeel klaagt niet dat de
sui generis-kwalificatie van het hof onbegrijpelijk zou zijn in het licht van het Iraanse recht of in het licht van de afspraken van partijen. De klacht faalt dus.
nietzijn ondertekend. Het hof heeft in rov. 5.7 dan ook terecht overwogen dat uit het feit dat de voorwaarde op p. 6 van het trouwboekje niet is ondertekend niet kan worden afgeleid dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben willen maken.