Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Uitgangspunten van feitelijke aard
3.Het geding in cassatie
Alfons Lütticke. [11] Verder wordt verwezen naar een (wetgevings)advies van de Raad van State, waarin is opgemerkt dat een bepaalde inperking van de bpm-teruggaafregeling kan worden gezien als een belemmering van het vrije verkeer. [12] In het in strijd met artikel 110 VwEU Pro weigeren van een teruggaaf ligt volgens belanghebbende een met artikel 1 EP Pro EVRM onverenigbare inbreuk op haar eigendomsrecht besloten.
4.Beschouwing vooraf
Teruggaaf van bpm bij export in het algemeen: artikel 14a Wet bpm 1992
behoefde te worden voldaan. De Inspecteur heeft
reeds daaromterecht afwijzend op het teruggaafverzoek beslist. (…) [onderstrepingen toegevoegd, A-G]
inschrijvingvan een voertuig in het kentekenregister (geciteerd is de in 2014 geldende tekst):
registreren of registratie: het inschrijven en te naam stellen dan wel op naam stellen van een motorrijtuig in het kentekenregister;
De Danske Bilimportørerlijkt me op dit punt instructief: [30]
Larsen en Kjerulffuit 1978 niettemin beslist dat dit artikel ook van toepassing kan zijn op uitgaande goederen naar andere lidstaten. [31]
Larsen en Kjerulffbetrof een Deense belasting ter dekking van het toezicht op werken van edele metalen waarop een naamstempel werd aangebracht als zij voor de binnenlandse markt waren bestemd. De maatstaf van heffing hing deels af van het verbruik van edelmetalen door de vervaardigers van deze werken, ook voor zover die werken zonder naamstempel naar het buitenland gingen. In antwoord op de vraag van de verwijzende rechter over het toepassingsbereik van artikel 95 van Pro het EEG-verdrag, thans artikel 110 VwEU Pro, overwoog het Hof van Justitie:
Nygårduit 2002 heeft het Hof van Justitie bevestigd dat artikel 110 VwEU Pro mede fiscale discriminatie van uitvoergoederen verbiedt: [32]
Larsen en Kjerulff; A-G] en Nygard.
Alfons Lütticke. [37] Die zaak gaat echter over iets anders: de heffing van compenserende omzetbelasting bij invoer (
Umsatzausgleichsteuer) in een tijd dat diverse lidstaten, waaronder Duitsland, voor de omzetbelasting nog een cumulatief cascadestelsel toepasten. Die compenserende heffing bij invoer was op zich toegestaan, maar in dit geval werd belast terwijl de binnenlandse levering van het ingevoerde product (volle melkpoeder) was vrijgesteld, evenals de levering van het basisproduct (melk). De vraag was gerezen of artikel 95 van Pro het EEG-verdrag rechtstreekse werking had. De verklaring voor recht luidde:
.Een situatie die zich niet kan voordoen in zuiver binnenlandse verhoudingen.
5.Behandeling van de middelen
De eerste drie middelen
ex tunc, naar de stand van zaken op het moment van doen van die uitspraak. [38] Op dat moment had de tweede eigenaar nog geen euro overmaakt van de op aangifte aangegeven en nageheven bpm. Op de gedeeltelijke betaling/voldoening door de tweede eigenaar na de uitspraak op bezwaar kan daarom
in deze proceduregeen acht worden geslagen. [39]