Belanghebbende exploiteert een koude- en warmte-opslaginstallatie waarvoor grondwater wordt onttrokken en teruggevoerd. Voor deze onttrekkingen geldt een vrijstelling van grondwaterbelasting indien voldaan wordt aan voorwaarden in een vergunning verleend door gedeputeerde staten.
In 2000 verleenden Gedeputeerde Staten een vergunning met een maximum van 36.000 m³ per jaar. Belanghebbende overschreed dit maximum in de jaren 2007-2011, waarna de Inspecteur een naheffingsaanslag oplegde. Later verleenden Gedeputeerde Staten een gewijzigde vergunning met terugwerkende kracht tot 2000, waarin een hoger maximum van 186.000 m³ per jaar werd toegestaan.
Het hof oordeelde dat de oorspronkelijke vergunning maatgevend was en wees de naheffingsaanslag toe. De Hoge Raad vernietigt dit arrest en oordeelt dat de met terugwerkende kracht verleende vergunning ook voor de belastingheffing geldt. De vrijstelling is van toepassing op de hoeveelheden grondwater die binnen de gewijzigde vergunning vielen.
De Hoge Raad overweegt dat het niet aan de inspecteur of rechter is om de vergunning inhoudelijk te toetsen in belastingzaken en dat terugwerkende kracht van een vergunning leidt tot vermindering of vernietiging van naheffingsaanslagen zolang deze niet onherroepelijk zijn.
De uitspraak van de rechtbank, die het beroep van belanghebbende gegrond verklaarde en de naheffingsaanslag vernietigde, wordt bevestigd. De Staatssecretaris en de Inspecteur worden veroordeeld in proceskosten.