AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Navordering wegens niet aangegeven fictieve vervreemding aanmerkelijk belang bij overlijden en ambtelijk verzuim
In deze zaak staat centraal of de Inspecteur terecht een navorderingsaanslag heeft opgelegd wegens een niet aangegeven voordeel uit een fictieve vervreemding van een aanmerkelijk belang bij het overlijden van de echtgenoot van belanghebbende. De navordering werd betwist door belanghebbende met het argument dat er sprake was van ambtelijk verzuim door de Inspecteur, die zijn onderzoeksplicht zou hebben verzaakt.
De feiten betreffen een huwelijk in gemeenschap van goederen, waarbij belanghebbende enig aandeelhouder was van een BV en de erflater ook deelnam in de aandelen. In de aangiften IB/PVV 2010 werd geen voordeel uit fictieve vervreemding aangegeven. Na een landelijk onderzoek legde de Inspecteur een navorderingsaanslag op wegens het niet aangeven van dit voordeel.
De Rechtbank stelde de Inspecteur in het gelijk, maar het Hof oordeelde dat er sprake was van ambtelijk verzuim omdat de Inspecteur onvoldoende onderzoek had gedaan naar het huwelijksvermogensregime en de aangifte van belanghebbende had moeten betrekken. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Advocaat-Generaal concludeert dat het Hof geen onjuiste maatstaf heeft toegepast en dat de Inspecteur wel degelijk onderzoeksplicht had gezien de bekende feiten, waaronder het fiscaal partnerschap en het aanmerkelijk belang. Het argument dat het voordeel mogelijk in de aangifte van de partner was verantwoord, kan niet zonder meer leiden tot het verwerpen van ambtelijk verzuim. De conclusie is dat het cassatieberoep ongegrond moet worden verklaard.
De zaak illustreert de complexiteit van navordering bij fictieve vervreemding van aanmerkelijk belang, de onderzoeksplicht van de Inspecteur en de toepassing van ambtelijk verzuim, mede in het licht van fiscale partnerschap en de doorschuiffaciliteiten in de Wet IB 2001.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof dat sprake is van ambtelijk verzuim wordt bevestigd.
Voetnoten
2.Hofuitspraak, r.o. 3.3.7.
3.Zie Hofuitspraak, r.o. 7.6, vijfde volzin.
4.Zie Hofuitspraak, r.o. 7.6, achtste volzin.
5.Zie Rechtbankuitspraak, r.o. 8, en Hofuitspraak, r.o. 5.3.2.
9.Zie Hofuitspraak, r.o. 7.4-7.5.
10.Zie Hofuitspraak, r.o. 7.6, zevende volzin.
11.Zie Hofuitspraak, r.o. 7.6.
12.Dit staat dus echt in r.o. 7.7 van ’s Hofs uitspraak.
13.Zie Hofuitspraak, r.o. 7.7.
14.Zie Hofuitspraak, r.o. 7.9.
15.Voetnoot A-G: hiervoor beschreven in 2.10 en 2.11.
18.Geciteerd is de tekst die gold in 2010.
19.Artikel 4.17 van de Wet IB 2001 is per 1 januari 2010 gewijzigd door Artikel I, sub O, van de Wet van 23 december 2009 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2010),
20.Artikel I, sub P, van de Wet van 23 december 2009 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2010),
21.Geciteerd is de tekst die gold in 2010.
24.E.J.W. Heithuis, ‘Erven en schenken van ab-aandelen in de inkomstenbelasting vanaf 2010’,
25.Voetnoot in origineel:
26.Artikel I, sub Jb en Jc, van de Wet van 23 december 2010 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2010).
28.E.J.W. Heithuis, 'De huwelijksgoederengemeenschap en het ab-belang: elk voordeel heb z'n nadeel',
29.Als oudste voorbeeld wordt doorgaans verwezen naar: HR 15 juni 1921,
38.F.J.P.M. Haas, noot in
39.E.B. Pechler, noot in
40.Zie
45.W.E. Nent heeft enige voorzichtige bedenkingen geuit in haar commentaar bij de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam in
46.Dit citaat is afkomstig uit het commentaar op een uitspraak van de echtbank Zeeland-West-Brabant 8 januari 2018 in
47.Zie 4.2.
48.Hofuitspraak, r.o. 7.6, zevende volzin. Zie ook onderdeel 2.10 hiervoor.
49.Zie 5.1-5.5.
50.Hofuitspraak, r.o. 7.4-7.5.
51.Het Hof noemt ook nog de indiening van een overlijdensaangifte (F-biljet), maar dat hoort thuis in de parallel zaak; zie onderdeel 2.8 van deze conclusie.
52.Zie noot 51.
53.Zie onderdeel 5.2 en noot 32.
54.Hofuitspraak, r.o. 7.12.