Conclusie
4.De bewezenverklaringen en bewijsvoering
6.1.2 De betrouwbaarheid van de [getuige] (hierna ook te noemen: " [getuige] ")
Summary of product characteristics) dat ongeveer 10% van de toegediende dosis onveranderd wordt uitgescheiden in de urine. Het feit dat in de urine van [slachtoffer 1] geen sporen van succinylcholine zijn aangetroffen, levert derhalve een sterke aanwijzing op dat hij niet aan die stof is blootgesteld. De afwezigheid van succinylcholine in de urine maakt het zeer waarschijnlijk dat de aanwezigheid van succinylmonocholine op andere plaatsen in het lichaam van [slachtoffer 1] post mortem is ontstaan door micro-organismen.
7. Zaak B1: De moord/doodslag op [slachtoffer 2]
- Enkele weken na voornoemde wijziging wordt het levenloze lichaam van [slachtoffer 2] aangetroffen en 4 dagen later heeft de verdachte aan DELA verzocht het verzekeringsgeld aan hem uit te keren.
- Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte het vooropgezette plan had het slachtoffer van het leven te beroven om vervolgens de beschikking te krijgen over het verzekeringsgeld. Het hof neemt op grond hiervan als vaststaand aan dat de verdachte vóór de uitvoering van zijn daad, heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Hij is planmatig en berekenend te werk gegaan gelet op het regelen van het in Nederland niet vrij verkrijgbare middel succinylcholine, de begunstigde wijziging ten behoeve van de overlijdensrisicoverzekering en het uitkeringsverzoek aan DELA. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin de verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.
5.Het eerste middel
6.Het tweede middel
circumstantialkan zijn. Deze zaak laat zien dat punten van overeenkomst die geen betrekking hebben op de modus operandi minstens zo overtuigend kunnen zijn als punten die daarop wel betrekking hebben. Ik wijs er daarbij op dat er in deze zaak al veel bewijs was dat erop wees dat (1) het slachtoffer was vergiftigd en (2) dat de verdachte daarin de hand had gehad. Als vaststaand kon immers worden aangenomen dat de dood van het slachtoffer was veroorzaakt door de toediening van het middel succinylcholine, dat de verdachte ten tijde van het overlijden van het slachtoffer over dat middel kon beschikken, dat hij zich had opgeworpen als vertrouwenspersoon van het slachtoffer dat daardoor van hem afhankelijk werd en dat hij niet alleen financieel voordeel had van het overlijden van het slachtoffer, maar zich ook had ingespannen om zich dat voordeel te verschaffen door het kort vóór het overlijden van het slachtoffer afsluiten van een verzekering en het wijzigen van de naam van de begunstigde. Het bewijs dat dit alles oplevert, wordt door het schakelbewijs versterkt, maar het gewicht dat aan dit schakelbewijs in het geheel van de bewijsconstructie toekomt, is relatief beperkt. In een geval waarin het bewijs van de betrokkenheid bij een inbraak uitsluitend berust op het feit dat die inbraak op dezelfde wijze is gepleegd als een andere inbraak waarvan vaststaat dat die door de verdachte is gepleegd, is de rol van het schakelbewijs in elk geval veel groter (en de bewijsconstructie aanmerkelijk zwakker).
7.Het derde middel
8.Het vierde middel
9.Het vijfde middel
10.. Het zesde middel
11.. Het zevende middel
12.. Het achtste middel
13. Het negende middel
13. Op te leggen straf
de factogeen sprake is of zal zijn van een reëel uitzicht op invrijheidstelling. Wat dat betreft betekent het antwoord van de minister niet een verandering, althans niet een verandering die voor de Hoge Raad reden zal opleveren om terug te komen op zijn standpunt.
de factouitzicht op vrijlating bestaat, is niet alleen afhankelijk van de wijze waarop de minister invulling geeft aan het te voeren beleid. De veroordeelde kan tegen een afwijzende beslissing van de minister opkomen in een procedure bij de burgerlijke rechter. De wijze waarop aan de rechterlijke controle inhoud wordt gegeven, is dus eveneens een factor van belang. [14] Daar komt bij dat de Hoge Raad er uitdrukkelijk op heeft gewezen dat de wijze waarop het nieuwe stelsel van herbeoordeling zal worden toegepast, “in de toekomst besloten [ligt]” en dat, indien op enig moment komt vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf in de praktijk nimmer wordt verkort, de vraag of de oplegging van een levenslange gevangenisstraf verenigbaar is met art. 3 EVRM Pro opnieuw zal moeten worden beantwoord. Het is thans nog te vroeg om te kunnen concluderen dat het bedoelde moment is aangebroken.