Conclusie
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
De opgelegde dwangsommen
Ciba Geigy/Voorbraak [33] en
Kempkes/Samson [34] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een andersluidend oordeel in de bodemprocedure dan dat van de rechter in kort geding er niet aan in de weg staat dat eenmaal verbeurde dwangsommen verschuldigd blijven. Wel heeft de partij die door dreiging met executie zijn wederpartij heeft gedwongen zich naar een in kort geding gegeven verbod (of gebod) te gedragen, onrechtmatig gehandeld wanneer hij, naar achteraf uit de uitspraak in het bodemgeschil blijkt, niet het recht had van de wederpartij te vergen dat deze zich van de desbetreffende handeling onthield (of die verrichtte). Aan die aansprakelijkheid staat, als uitgangspunt, het enkele feit dat de veroordeelde partij geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis niet in de weg. [35]
Wewer/Nije) [52] omdat die uitspraak veronderstelt dat de appelrechter na zijn gedeeltelijke bekrachtiging en gedeeltelijke vernietiging van het vonnis in eerste aanleg andermaal een beslissing over de dwangsom mag nemen, die volgens hem kan neerkomen op een vermindering in plaats van een vervanging van de dwangsomveroordeling in eerste aanleg.
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep
subonderdeel 1.1heeft het hof miskend dat de door de appelrechter aan te leggen toets ter beoordeling van de hoogte van de door de rechter in eerste aanleg opgelegde dwangsom niet verschilt van de door de rechter in eerste aanleg zelf aan te leggen, op alle relevante omstandigheden gebaseerde toets, waarbij het hof ook rekening mag houden met ten tijde van het hoger beroep gebleken feiten en omstandigheden.
hoofdveroordeling zulke excessen besloten liggen.
subonderdeel 1.4, tot slot, betekent het slagen van (een van) de klachten uit de voorgaande subonderdelen dat het oordeel in rov. 4.18 evenmin in stand kan blijven. Dit subonderdeel slaagt als gevolg van het slagen van de subonderdelen 1.1 en 1.2.