Conclusie
1.Inleiding
De strafprocedure, de feiten in de belastingprocedure en het geding in feitelijke instanties
“hij in de periode van 1 april 1994 tot en met 9 december 1996 te [Z] opzettelijk heeft verkocht handelshoeveelheden hashish”. Voor al het overige is belanghebbende wegens gebrek aan bewijs vrijgesproken, waartoe de strafkamer van het Hof heeft overwogen:
3.Het geding in cassatie
4.Beschouwing bewijslast(verdeling) en doorwerking van de onschuldpresumptie
Ongebondenheid tussen de straf- en belastingrechter
Minelli v. Switzerland [32] is het vaste rechtspraak van het EHRM dat een andere rechter dan een strafrechter achteraf geen twijfel mag zaaien over de juistheid van een eerdere vrijspraak. In
Melo Tadeu v. Portugal [33] besliste het EHRM voor het eerst (expliciet) dat het strafrechtelijk vermoeden van onschuld onder omstandigheden ook doorwerkt in fiscale zaken na het onherroepelijk worden van een strafrechtelijk oordeel. Vereist voor doorwerking is een aanwezige ‘link’ tussen de straf- en de niet-strafzaak. [34]
Allen v. United Kingdomals volgt verwoord: [40]
Vanjak v. Croatia. [43] In deze zaak werd een Kroatische politieman (Vanjak) ervan beticht betrokken te zijn geweest bij omkoping. Het strafrechtelijk onderzoek tegen hem werd echter gestaakt. Er was weliswaar bewijs dat hij iemand (illegaal) aan een certificaat van Kroatisch burgerschap had geholpen, maar niet was komen vast te staan dat hij daarvoor daadwerkelijk geld had aangenomen. Vervolgens werd Vanjak in een disciplinaire procedure wegens ongepast gedrag ontslagen als politieman. Het EHRM heeft beslist dat dit ontslag geen inbreuk maakte op artikel 6, lid 2, EVRM omdat de elementen van het disciplinaire en het strafrechtelijke vergrijp niet identiek waren. De vraag of Vanjak zelf het geld had aangenomen was beslissend in het strafrecht, maar niet voor de disciplinaire bestraffing.
Melo Tadeuen eerdere rechtspraak van het EHRM de fiscale rechter zelfstandig dient te beoordelen welke feiten als vaststaand kunnen worden aangenomen, zonder dat de rechter is gebonden aan het oordeel van de strafrechter over hetzelfde feitencomplex. Wel dient de fiscale rechter zich te onthouden van uitlatingen en gedragingen die, gelet op de bewoordingen daarvan, twijfel oproepen over de juistheid van een vrijspraak van hetgeen de verdachte in de strafprocedure werd verweten. Hiertoe overwoog de A-G: [47]
Melo-Tadeu-lijn in de jurisprudentie van het EHRM hier te lande op fiscaal terrein veel impact zal hebben.
Allen v. UKen
Melo Tadeu, maar lijkt voor de hand te liggen. Kent het fiscale procesrecht minder strenge bewijsregels?