Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het oordeel van het hof dat de verdachte niet als pleger van het hem onder 1 en 2 tenlastegelegde kan worden aangemerkt blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is.
Daarnaast komt de vraag op of een dergelijke nuancering wel noodzakelijk is. Het enkele feit dat geen sprake zou zijn van een kwaliteitsdelict impliceert immers nog geen verruiming van de strafrechtelijke aansprakelijkheid. Enerzijds kan indien wel sprake is van een kwaliteitsdelict niet alleen sprake zijn van strafrechtelijke aansprakelijkheid via een van de deelnemingsvormen [32] , maar kan de strafbaarstelling zoals hiervoor opgemerkt ook worden gevonden in het commune strafrecht, meer in het bijzonder art. 225 Sr Pro. [33] Anderzijds komt als geen sprake is van een kwaliteitsdelict en in alle gevallen vervolging op grond van art. 69, tweede lid, AWR mogelijk is, in al die gevallen het leerstuk van het pleitbare standpunt in beeld. In zijn arrest van 21 april 2017 overwoog de Hoge Raad immers dat indien een onjuiste of onvolledige belastingaangifte wordt gedaan, maar de betrokkene ten tijde van het doen van die aangifte, naar objectieve maatstaven gemeten, redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze aangifte juist en volledig was, bijvoorbeeld omdat deze gebaseerd was op een pleitbaar standpunt, niet kan worden gezegd dat hij opzettelijk een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan die ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, een en ander in de zin van artikel 69, lid 2, AWR. [34] Overigens is aan nuancering met als gevolg dat art. 69, tweede lid, AWR niet van toepassing is, in een geval als het onderhavige mijns inziens in ieder geval geen behoefte. Hier doet een niet-aangifteplichtige (A) de aangifte, terwijl er een aangifteplicht voor een ander (B) bestaat, B op de hoogte is van het doen van de aangifte door A en de aangifte door A ertoe strekt te voldoen aan de aangifteverplichting van B.