Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
A1-verklaring van 24 juni 2014 en de A1-verklaring van 20 maart 2018 voorbij te worden gegaan en dient het Hof zo spoedig mogelijk de zaak zelf te beslissen op basis van het procesdossier?
A1-verklaring van 24 juni 2014 en de A1-verklaring van 20 maart 2018, is er, mede gelet op artikel 47 van Pro het Handvest, een maximum aan de termijn waarvoor de zaak door de Inspecteur kan worden aangehouden?
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
A1-verklaring gegeven. Deze verklaring houdt in, dat belanghebbende van 1 mei 2014 tot en met 30 april 2016 was onderworpen aan het sociale verzekeringsrecht in Liechtenstein.
A1- verklaring afgegeven. De SVB was op dat moment niet op de hoogte van de onder 2.4 bedoelde A1-verklaring. De door de SVB afgegeven verklaring houdt in, dat belanghebbende van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 was onderworpen aan de heffing van premie volksverzekeringen in Nederland. [C] Ltd heeft tegen deze verklaring bezwaar ingediend. Dit bezwaar is door de SVB afgewezen. Op het door [C] Ltd ingestelde beroep heeft Rechtbank Noord-Nederland bij (een tot de gedingstukken behorende) uitspraak van 30 maart 2016, LEE 16/49 (niet gepubliceerd), het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit [Hof: het besluit op bezwaar] vernietigd en de SVB opgedragen binnen twaalf weken na de dag van verzending van de uitspraak van deze rechtbank een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak van de Rechtbank. De SVB heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) en [C] Ltd heeft incidenteel hoger beroep ingediend. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 29 december 2017, 16/6453 AOW en 16/2721 AOW (inzake belanghebbende), ECLI:NL:CRVB:2017:4469, voor zover te dezen van belang, beslist:
A1-verklaring nog steeds geldig is, alleen nog niet onherroepelijk vaststaat. De Rechtbank komt tot de conclusie dat de door de SVB afgegeven A1-verklaring bindend is voor instanties in de lidstaat van afgifte:
A1-verklaring is vernietigd. Het vernietigde besluit betreft alleen de uitspraak op bezwaar (het bestreden besluit) tegen deze A1-verklaring (het primaire besluit) (zie ook hiervóór, onder 2.3). Dit betekent dat de A1-verklaring nog steeds geldig is; deze staat alleen nog niet onherroepelijk vast.
A1-verklaring in een geval als het onderhavige niet bindend te achten voor de instanties van de lidstaat van afgifte. De Vo 987/2009 verzet zich daar niet tegen en het is onwenselijk dat een werknemer alsmede enerzijds de inspecteur en de belastingrechter en anderzijds de SVB en de algemene bestuursrechter worden belast met twee procedures over in wezen één en hetzelfde geschil. Ook zou dan het gevaar voordoen dat de twee (rechterlijke) procedures zouden leiden tot verschillende (rechterlijke) beslissingen inzake hetzelfde geschil. De rechtbank sluit derhalve voor de toepasselijke sociale wetgeving aan bij
A1-verklaring zoals die door de SVB is vastgesteld, in dit geval de Nederlandse sociale wetgeving. De stelling van de belanghebbende, wat daar ook verder van zij, dat de SVB niet met terugwerkende kracht de toepasselijke sociale wetgeving door middel van de
A1-verklaring kan toepassen en zeker niet nadat er reeds een A1-verklaring is afgegeven door Liechtenstein, leidt niet tot een ander oordeel, nu de Liechtensteinse A1-verklaring is afgegeven voor het jaar 2014 en niet voor het jaar 2013. Daarnaast is de datum van afgifte van de A1-verklaring niet relevant. De overige grieven van belanghebbende die zich richten tegen de afgegeven A1-verklaring, kan de rechtbank niet beoordelen, nu niet de belastingrechter doch slechts de bestuursrechter bevoegd is om hiervan kennis te nemen.
24 juni 2014 betwist. Voorts heeft belanghebbende, naar het Hof begrijpt, gesteld dat zolang deze verklaring niet onherroepelijk vaststaat de vrijstelling van premie volksverzekeringen niet mag worden geweigerd en de vaststelling van de aanslag, door de belastingrechter, niet definitief kan worden gebaseerd op de door de SVB gegeven A1-verklaring van 24 juni 2014.
A1- verklaring nader moet worden onderzocht, dat daarbij de procedure als bedoeld in artikel 16 van Pro de Verordening (EG) nr. 987/2009 moet worden gevolgd en dat in het kader daarvan de A1-verklaring alleen voorlopig kan worden vastgesteld als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Verordening (EG) nr. 987/2009.
A1-verklaring van 24 juni 2014 nog niet onherroepelijk is geworden. Het Hof heeft vervolgens drie mogelijke oplossingsrichtingen geschetst en de voor- en nadelen op een rij gezet:
C-359/16, ECLI:EU:C:2018:63 valt af te leiden dat door het gebrek aan medewerking van een andere lidstaat het mogelijk is dat het doorlopen van de procedure als bedoeld in artikel 16 van Pro de Verordening (EG) nr. 987/2009 lang kan duren. Tegen deze mogelijkheid pleit dat door het aanhouden van de zaak wellicht de behandeling van de zaak door de rechter binnen een redelijke termijn in het gedrang zou kunnen komen, zodanig dat strijd ontstaat met artikel 47 van Pro het Handvest van de Grondrechten in de Europese Unie (hierna: Handvest). Deze mogelijkheid heeft daarentegen het voordeel dat de vraag of van belanghebbende al dan niet de premies volksverzekeringen kunnen worden geheven grondig en in overeenstemming met de procedure als bedoeld in artikel 16 van Pro de Verordening (EG)
nr. 987/2009 zal zijn onderzocht.
A1-verklaring van 24 juni 2014 en - eventueel - door de CRvB (opnieuw) is beslist op het daartegen bij hem ingestelde beroep.
5 augustus 2015) wel heeft mogen baseren op de door de SVB gegeven A1-verklaring van 24 juni 2014. Immers, doordat de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag zich heeft gebaseerd op een A1-verklaring, die niet onherroepelijk vaststaat, wordt belanghebbende gedwongen om tegen de aanslag op te komen in een rechterlijke kolom (de belastingrechter), die niet kan en mag oordelen over de juistheid en de verbindendheid van de A1-verklaring.
A1-verklaring onherroepelijk zal zijn geworden binnen deze termijn. De bezwaarfase is vooral bedoeld als een heroverweging van de aanslag op grond van het door belanghebbende gemaakte bezwaar (artikel 7:11 van Pro de Awb) en niet als een fase waarin onderzocht kan worden of de aanslag wel op enige grond kan worden gebaseerd (vgl. onder meer ABRvS 5 november 2003, 200302747/1, ECLI:NL:RVS:2003:AN7266 en ABRvS
22 juli 2003, 20034016/1, ECLI:NL:RVS:2003:AI0575) of als een fase waarin (langer dan zes weken) gewacht kan worden op het onherroepelijk worden van een A1-verklaring (vgl. HR 25 maart 2016, nr. 15/01642, ECLI:NL:HR:2016:485).
A1-verklaring van 24 juni 2014 van de SVB overgelegd van 20 maart 2018. Tevens heeft de Inspecteur overgelegd een A1-verklaring ten name van belanghebbende van 20 maart 2018. In de beslissing op bezwaar herroept de SVB de beslissing van 24 juni 2014 en de daarbij behorende A1-verklaring van 24 juni 2014. Uit de A1-verklaring van 20 maart 2018 volgt, dat belanghebbende [C] Ltd als werkgever heeft en dat belanghebbende is onderworpen aan de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving voor de periode 1 februari 2013 [8] tot en met 30 april 2014. Deze A1-verklaring staat niet onherroepelijk vast.
24 juni 2014 niet onherroepelijk is, staat de definitieve uitkomst ten aanzien van de door de SVB gegeven A1- verklaring van 24 juni 2014 niet onherroepelijk vast, evenmin als de uitkomst ten aanzien van de door de SVB gegeven A1-verklaring van 20 maart 2018.
de Vakstudie-Nieuwsheeft bij het verzoek om beantwoording van de prejudiciële vragen in de samenhangende zaak met nr. 18/01619 aangetekend een voorkeur te hebben voor de oplossing waarbij ofwel de rechter ofwel de Inspecteur de zaak aanhoudt in afwachting van het onherroepelijk worden van de A1-verklaring: [9]
A1-verklaring af, waarin staat dat de Rijnvarende van 1 februari 2013 tot en met 30 april 2014 is onderworpen aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. Het hof vraagt zich af wat de gevolgen zijn van het feit dat de A1-verklaring bij het opleggen van de aanslag IB/PVV en bij de behandeling van het hoger beroep nog niet onherroepelijk vaststaat en stelt hierover prejudiciële vragen. Kort gezegd, ziet het hof vier mogelijkheden:
artikel 3:2 Algemene Pro Wet Bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 7:12 Awb Pro. Rechtbank Noord-Nederland heeft geoordeeld dat het beroep van belanghebbende (en zijn werkgever) gegrond is en de uitspraak op bezwaar vernietigd moet worden. Rechtbank Noord-Nederland heeft de SVB opgedragen om opnieuw op het bezwaar van belanghebbende te beslissen: [10]
A1-verklaringen zijn afgegeven aan werknemers van eiseres.
A1-verklaringen die door het bevoegde orgaan in Liechtenstein zijn overgelegd.
30 maart 2016 hoger beroep ingesteld bij de CRvB. De CRvB heeft bij uitspraak van 29 december 2017 de feiten als volgt vastgesteld: [11]
A-Rosa Flussschiff GmbH (C-620/15, EU:C:2017:309) – herinnerd aan de bindende kracht van de door appellant afgegeven A1-verklaringen buiten Nederland. Zelfs de hoogste nationale rechters van andere lidstaten van de EU mogen de door appellant in Nederland afgegeven A1-verklaringen niet ongeldig verklaren. Juist in geval van een complexe problematiek als de onderhavige, moeten de criteria en feiten die voor de toepassing van de regels betreffende de vaststelling van de geldende socialezekerheidswetgeving relevant zijn, worden vastgesteld en beoordeeld met inachtneming van de in artikel 16 van Pro Vo 987/2009 opgenomen procedurevoorschriften. Dat bevoegde organen van andere lidstaten naar zeggen van appellant de procedurevoorschriften van artikel 16 van Pro Vo 987/2009 niet naleven, doet hieraan niet af.
3.De prejudiciële procedure
A1-verklaring: [25]
A1-verklaringen verstrekt. [26] Aangezien veel A1-verklaringen op verzoek worden verstrekt, is het aantal betrokkenen dat opkomt tegen en A1-verklaring verhoudingsgewijs klein.
Hoge Raad bestaat pas sinds 2016. Het ligt daarom voor de hand met enige soepelheid de vraag te beoordelen of de voorgelegde prejudiciële vragen zich lenen voor beantwoording.
4.De A1-verklaring
Vaststelling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving
E-101-verklaring.
E 101-verklaringen buiten beschouwing laten en dient hij te bepalen of de personen die ervan worden verdacht onder de dekmantel van frauduleus verkregen verklaringen een beroep te hebben gedaan op gedetacheerde werknemers, aansprakelijk kunnen worden gesteld op grond van het toepasselijke nationale recht.
BNB1996/2 van oordeel dat de betrokkene aan de detacheringsverklaringen niet het vertrouwen kon ontlenen niet in Nederland in de premieheffing volksverzekeringen te worden betrokken: [37]
nr. 1408/71 van 14 juni 1971 - het in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen dat zij hier te lande niet in de premieheffing volksverzekeringen zou worden betrokken.
BNB2002/395: [40]
BNB2003/312 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat aan een detacheringsverklaring geen betekenis toekomt en de betrokkene vanaf het moment van zijn verhuizing naar Duitsland niet meer in Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen: [41]
ƒ 5434 (142/365 x ƒ 13 969) aan premie is begrepen.
BNB2009/312 beslist dat een detacheringsverklaring geen constitutief vereiste is voor de premieplicht. Indien een dergelijke verklaring wordt afgegeven, en onherroepelijk komt vast te staan, dan is de Belastingdienst daaraan in het kader van de premieheffing in beginsel gebonden: [42]
BNB2014/264 overwogen dat de bewijslast voor het ontbreken van de verzekeringsplicht rust op de belastingplichtige: [43]
10 mei 2010 niet bindend is nu belanghebbende bestrijdt dat hij premieplichtig is en dat de rechtbank voor de premieheffing zelfstandig moet beoordelen of belanghebbende in Nederland is verzekerd. In dit geval klemt dat te meer omdat de SVB blijkbaar geen rekening heeft gehouden met het gegeven dat belanghebbende structureel ook in België werkzaamheden in dienstbetrekking heeft verricht.
nr. C-202/97, Fitzwilliam Executive Search en HvJ 27 april 2017, nr. C-620/15, Rosa Flussschiff GmbH). In het onderhavige geschil gaat het echter om de vraag wat de status is van de detacheringsverklaring in het land van afgifte, in casu Nederland. Gelet op voormelde arresten is het Hof van oordeel dat voor het onderhavige geval overeenkomstig heeft te gelden dat het Hof niet bevoegd is de geldigheid na te gaan van het in de detacheringsverklaring opgenomen standpunt van het voor Nederland bevoegde orgaan wat betreft de staving van de feiten op grond waarvan het genoemde standpunt is ingenomen. Belanghebbende is ingevolge de detacheringsverklaring in Nederland premieplichtig voor de premie volksverzekeringen, zodat de Inspecteur de premie volksverzekeringen terecht van belanghebbende heeft geheven.
A1-verklaring te toetsen: [49]
A1-verklaring bindend is voor de bevoegde organen én de rechterlijke instanties van de lidstaat waarbij een werknemer is gedetacheerd, zolang deze verklaring niet is ingetrokken. Het hof constateert terecht dat het in de zaak van de dga geen rechterlijke instantie is van de ‘ontvangende’ lidstaat, maar van de ‘afgevende’ lidstaat. Ook dan – aldus het hof – zijn de beslissingen van het HvJ van overeenkomstige toepassing. Het hof motiveert niet waarom deze rechtspraak van overeenkomstige toepassing is ten aanzien van de rechterlijke instanties van de lidstaat van afgifte van de A1-verklaring.
artikel 6 Verordening Pro 987/2009 de wetgeving van één van de lidstaten voorlopig op de betrokkene toegepast. In artikel 6 Verordening Pro 987/2009 zijn regels gegeven aan de hand waarvan moet worden bepaald welke socialezekerheidswetgeving in dat geval voorlopig moet worden toegepast. Voorlopig geïncasseerde premies en betaalde uitkeringen moeten de organen van de betrokken lidstaten met elkaar verrekenen volgens titel IV, hoofdstuk III van Verordening 987/2009. Artikel 6 Verordening Pro 987/2009 luidt:
artikel 6 Verordening Pro 987/2009 de verrekening van onder meer voorlopig betaalde premies dient plaats te vinden:
5.Twee kolommen: sociale zekerheidsrecht en fiscaal recht
Sociale zekerheidsrecht
premieheffing- en inningstaak ter zake van de werknemersverzekeringen is overgeheveld van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen naar de Belastingdienst: [59]
de keuze voor twee kolommen(ook in de rechtsingang) als volgt toegelicht: [62]
6.Coördinatieregeling in de Awb niet van toepassing op fiscale besluiten
7.Intrekking of vervanging van een besluit genomen door een bestuursorgaan
8.Hernieuwde behandeling van het bezwaar door een bestuursorgaan
Wet- en regelgeving
BNB2015/109 geoordeeld dat uitstel in de zin van
artikel 7:10, lid 4, Awb de beslistermijn van artikel 7:10, lid 1, Awb niet opschort: [86]
€ 1.260 bedraagt, zijnde het bedrag dat op grond van de in die bepalingen vervatte regeling ten hoogste verschuldigd is.
BNB2016/111 heeft de Hoge Raad overwogen dat het gerechtshof niet bevoegd is de inspecteur een termijn te stellen waarbinnen hij een uitspraak kan doen zonder enige dwangsom te verbeuren: [87]
9.De taak van de bestuursrechter
Wet
BNB2004/226 een verzoek om herziening afgewezen omdat de in het verzoekschrift vermelde feiten en omstandigheden, als ze de Hoge Raad vóór het wijzen van het arrest bekend waren geweest, gelet op het beperkte karakter van de aan de Hoge Raad opgedragen toetsing, niet tot een andere beslissing hadden kunnen leiden: [98]
BNB2005/84 overwogen dat aan een gerechtshof op voet van thans artikel 8:119 Awb Pro gevraagd kan worden een uitspraak, waartegen tevergeefs beroep in cassatie is ingesteld, te herzien: [99]
BNB2011/100 heeft de Hoge Raad overwogen dat het bestuursorgaan bij het vaststellen van de belastingaanslagen in het algemeen geen beleidsvrijheid toekomt: [100]
BNB2015/91 uitdrukkelijk bij de hierboven door de ABRvS uitgezette lijn aangesloten: [102]
Tekst en Commentaaris ingegaan op het beslisschema van artikel 8:72 Awb Pro met het oog op de finale geschilbeslechting: [103]
Verheijin op de regel dat: ‘de bestuursrechter toetst ex tunc, maar het bestuur beslist ex nunc’: [104]
10.Overschrijding redelijke termijn
BNB2011/232 is de Hoge Raad van oordeel dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 EVRM Pro mede ten grondslag ligt, ertoe noopt dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht: [107]
BNB2016/140 overwogen dat de tijd die gemoeid is met het afwachten van een beslissing in een andere procedure bij een andere rechter, bij de beoordeling of sprake is van de overschrijding van de redelijke termijn buiten beschouwing blijft: [109]
EU-recht, [116] als waar zij met een beroep op verdragsrechtelijke bepalingen een regeling treffen waarin wordt afgeweken van de vier vrijheden. [117] Dit laatste werd nog eens bevestigd in een arrest betreffende de Oostenrijkse regulering van kansspelautomaten. [118] In het arrest Åkerberg Fransson hadden de prejudiciële vragen betrekking op aan de belanghebbende wegens niet-nakoming van zijn aangifteverplichtingen opgelegde sancties. Het ging erom of door het opleggen van een bestuursrechtelijke sanctie en een strafrechtelijke vervolging het in artikel 50 Handvest Pro neergelegde ne bis in idem-beginsel was geschonden. Het Hof achtte
Btw-richtlijn voortvloeit dat de lidstaten verplicht zijn om alle bestuurlijke maatregelen te treffen tot inning van de Btw en om fraude te bestrijden (punt 25). Daarom dienen zij maatregelen te treffen ter bestrijding van activiteiten die de financiële belangen van de Unie schaden (artikel 325 WVEU Pro). De betreffende regelingen ter zake van boetes en strafvervolging zijn weliswaar niet ingesteld om uitvoering te geven aan de Btw-richtlijn, maar dienen wel om de schending van haar bepalingen te bestraffen; dus geven zij uitvoering aan de specifieke verplichting om gedragingen waarmee de financiële belangen van de Unie worden geschaad, effectief te bestraffen (punt 28). In het arrest Siragusa [119] wordt het algemene deel van de overwegingen uit Åkerberg Fransson verder uitgewerkt. Het Hof haakt hier in op het hierboven al geciteerde begrip ‘ten uitvoer brengen van het Unierecht’. In een inmiddels befaamde overweging verklaart het dat dit ‘vereist dat er een zekere mate van een verband bestaat dat verder gaat dan het dicht bij elkaar liggen van de betrokken materies of de indirecte invloed van de ene materie op de andere’. Factoren die daarbij relevant zijn, zijn of de nationale regeling
11.Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ten geleide
20 maart 2018 heeft de SVB eveneens een nieuwe A1-verklaring afgegeven. Die
A1-verklaring houdt in dat belanghebbende in dienst is van [C] Ltd en is onderworpen aan de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving voor de periode 1 januari 2013 tot en met 30 april 2014. [131]
€ 33.363. [132]
24 juni 2014 nog niet onherroepelijk was. [136]
bevestigthet bevoegde orgaan van de lidstaat waar het bedrijf is gevestigd dat de werknemers tewerkstelt, dat deze werknemers aan zijn eigen socialezekerheidsregeling onderworpen blijven”.
NB2009/312 geoordeeld dat indien een detacheringsverklaring wordt afgegeven, en onherroepelijk komt vast te staan, de Belastingdienst in het kader van de premieheffing in beginsel daaraan gebonden is. [146]
BNB2009/312 geoordeeld dat de Belastingdienst in het kader van de premieheffing aan een door de SVB afgegeven detacheringsverklaring [159] , die onherroepelijk komt vast te staan, in beginsel is gebonden. [160] Gelet op de omstandigheid dat aangenomen wordt dat de jurisprudentie van het HvJ ter zake van detacheringsverklaringen onder de oude Verordening 1408/71 en toepassingsverordening 574/72 zijn geldigheid heeft behouden [161] , heeft dit mijns inziens ook te gelden voor de jurisprudentie van de Hoge Raad. Dit betekent dat op grond van voornoemd arrest de Belastingdienst is gebonden aan een door de SVB afgegeven A1-verklaring, die onherroepelijk komt vast te staan.
A1-verklaring voortkomt uit de in de Nederlandse wetgeving opgenomen bevoegdheidsverdeling, zie ik geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen. [174]
24 juni 2014 en 20 maart 2018 nog niet onherroepelijk [175] vaststaan?
24 juni 2014).
sociale-zekerheidskolom beroep is ingesteld tegen een A1-verklaring, maakt nog niet dat de vaststelling van de aanslag onzorgvuldig is geschied.
sociale-zekerheidskolom). In zoverre kan de belastingrechter niet treden in de door de SVB afgegeven A1-verklaring over de vaststelling van de toepasselijke wetgeving.
sociale-zekerheidsrechter [186] kan de belastingrechter niet in de A1-verklaring neergelegde feitenvaststelling noch in de vaststelling van de toepasselijke wetgeving treden.
BNB2003/312 heeft geoordeeld dat aan de omstandigheid dat ten name van belanghebbende een detacheringsverklaring is afgegeven dat hij onder de Nederlandse wetgeving blijft vallen, geen betekenis toekomt nu het aangrijpingspunt voor het blijven onderwerpen van de betrokkene aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving verloren is gegaan door een verhuizing naar Duitsland. [187] Deze gevolgtrekking zou kunnen voortkomen uit het standpunt dat de in Verordening 1408/71 neergelegde aanwijsregels slechts tot premieplicht kunnen leiden indien hiervoor een expliciete grondslag in de Nederlandse wet is. [188] Deze problematiek speelt echter in de onderhavige zaak niet.
BNB2000/288waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een gerechtshof de verzekeringsplicht mocht baseren op een andere bepaling van Verordening 1408/71 dan de door de SVB in de detacheringverklaring opgenomen bepaling. [189] Dit lijkt te impliceren dat de belastingrechter niet gebonden is aan een door de SVB afgegeven A1-verklaring, wanneer een andere bepaling van Europees recht zich daartegen verzet. Ook bespreking verdient het oordeel van de Hoge Raad in HR
BNB2014/264 dat indien een belanghebbende het standpunt inneemt dat hij op grond van een verdrag niet in Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen, een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast meebrengt dat hij ter zake daarvan de relevante feiten stelt en in geval van betwisting aannemelijk maakt. [190] Daarbij merk ik op dat in HR
BNB2014/264 het ging om de vraag wie aannemelijk diende te maken waar de zetel van de onderneming van een schip waaraan een Rijnvaartverklaring was afgegeven aannemelijk diende te maken. [191] Dat zou kunnen impliceren dat belanghebbende, ook al is een A1-verklaring door de SVB afgegeven, zijn stelling dat hij niet in Nederland premieplichtig is, voor de belastingrechter aannemelijk kan maken.
CRvB loopt, daarom staat deze A1-verklaring nog niet onherroepelijk vast. De vraag rijst of de belastingrechter aan de A1-verklaring van 20 maart 2018 is gebonden.
sociale-zekerheidsrechter in het land van afgifte niet gebonden aan de door het bevoegde bestuursorgaan afgegeven A1-verklaring. [193] Een belanghebbende kan in Nederland bezwaar maken tegen een A1-verklaring bij de SVB en beroep instellen bij de Rechtbank tegen de uitspraak op bezwaar van de SVB.
- en al staat zij nog niet onherroepelijk vast - ten grondslag leggen aan zijn oordeel omtrent de premieheffing. Voor de belastingrechter kan dus alleen getwist worden over het bestaan van een dergelijke verklaring. [196]
artikel 6, lid 4, Verordening 987/2009 [198] geacht retroactief bevoegd te zijn alsof er geen meningsverschil heeft bestaan uiterlijk van de datum van voorlopige aansluiting of van de eerste voorlopige betaling van de uitkering. Op grond van het vijfde lid wordt de financiële situatie van de betrokkene met betrekking tot de premies en uitkeringen die voorlopig worden betaald door deze twee organen geregeld. [199]
BNB2009/312 met overeenkomstige toepassing van artikel 8:119 Awb Pro herziening aan de belastingrechter vragen. [200]
A1-verklaring van 24 juni 2014 en de A1-verklaring van 20 maart 2018 voorbij dient te worden gegaan en dient het Hof zo spoedig mogelijk de zaak zelf dient te beslissen op basis van het procesdossier.
20 maart 2018 komt overeen met de tweede oplossingsrichting die het Hof heeft geschetst: [204]
A1-verklaring van 24 juni 2014 en - eventueel - door de CRvB (opnieuw) is beslist op het daartegen bij hem ingestelde beroep. [205]
BNB2011/100 het uitgangspunt geformuleerd dat een rechter met het oog op de definitieve afdoening van geschillen binnen een redelijke termijn zelf in de zaak voorziet. De rechter zal daartoe in het algemeen in staat zijn, aangezien het bestuursorgaan bij het vaststellen van belastingaanslagen in het algemeen geen beleidsvrijheid toekomt. Een uitzondering op deze regel zal zich, aldus de Hoge Raad, voordoen in gevallen waarin de rechter over zo weinig relevante feitelijke gegevens beschikt, dat hij zich - al dan niet na inwinning van deskundigenbericht en/of andere informatie - redelijkerwijs niet in staat acht zelf het bedrag van de belastingaanslag of beschikking vast te stellen, ook niet door middel van schatting van (elementen van) de belastinggrondslag. Indien hij geen aanleiding ziet voor toepassing van de zogenoemde bestuurlijke lus, kan de rechter in dergelijke bijzondere gevallen op grond van artikel 8:72, lid 4, Awb [208] gebruik maken van zijn bevoegdheid om na vernietiging van de uitspraak op bezwaar het bestuursorgaan op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. [209]
BNB2009/312 [217] met overeenkomstige toepassing van artikel 8:119 Awb Pro [218] herziening van de uitspraak van de belastingrechter vragen. [219]
20 maart 2018. De belastingrechter is mijns inziens gebonden aan de door de SVB afgegeven nog niet onherroepelijk vaststaande A1-verklaring van 20 maart 2018.
A1-verklaring van 24 juni 2014 en de A1-verklaring van 20 maart 2018 bekend zal zijn. [221]
artikel 47 Handvest Pro. [236]
artikel 16 Verordening Pro 987/2009 mijn inziens niet aan de weg staat aan premieheffing door de Belastingdienst. [237]
BNB2016/140 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de tijd die gemoeid is met het afwachten van een beslissing in een procedure bij een andere rechter, bij de beoordeling of sprake is van de overschrijding van de redelijke termijn buiten beschouwing blijft. Het verdient aldus de Hoge Raad de aanbeveling dat de rechter, indien hij partijen in kennis stelt van zijn beslissing om de zaak aan te houden in afwachting van een beslissing in een procedure voor een andere rechter, hen daarbij uitdrukkelijk in de gelegenheid stelt eventuele bezwaren tegen die beslissing schriftelijk aan hem kenbaar te maken binnen een door hem gestelde termijn (in de regel zes weken na verzending van de kennisgeving). Indien partijen van de aldus geboden mogelijkheid geen gebruik maken, mag ervan worden uitgegaan dat zij zich kunnen verenigen met de beslissing van de rechter om de zaak aan te houden en heeft als uitgangspunt te gelden dat het afwachten van de beslissing van de andere rechter redelijk is. In deze gevallen dient de periode, gelegen tussen het moment waarop de rechter partijen schriftelijk in kennis heeft gesteld van zijn beslissing tot aanhouding en de openbaarmaking van de beslissing door die andere rechter (of, indien dat eerder is, de dag waarop de inspecteur de belanghebbende dan wel de rechter partijen in kennis stelt van de inhoud van die uitspraak), dan ook in beginsel buiten beschouwing te worden gelaten bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden. [239]
12.Conclusie
sociale-zekerheidsrechter heeft ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de SVB en de daarmee samenhangende A1-verklaring, niet betekent dat de Inspecteur in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 Awb Pro heeft gehandeld. De Inspecteur is mijns inziens gebonden aan de door SVB afgegeven A1-verklaring, ook als deze verklaring nog niet onherroepelijk vaststaat.
20 maart 2018.