Conclusie
De beoordeling van het bewijs
eerste middelklaagt ten aanzien van feit 1 dat het bewezenverklaarde verbergen van een lijk niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, aangezien uit ‘s hofs vaststellingen volgt dat het lijk gedeeltelijk zichtbaar was en dit zich niet verdraagt met het begrip ‘verbergen’ in de zin van art. 151 Sr Pro.
tweede middelvalt in drie deelklachten over feit 1 uiteen. Geklaagd wordt over de verwerping van het alternatieve scenario dat de overledene niet tijdens een seksdate in de woning van de verdachte is overleden. Daarnaast bevat het middel de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen het bewezenverklaarde oogmerk niet kan volgen en dat het door het hof bevestigde vonnis blijk geeft van ‘een onjuiste dan wel onbegrijpelijke rechtsopvatting’ met betrekking tot het begrip ‘verhelen’ als bedoeld in art. 151 Sr Pro.
derde middelklaagt met betrekking tot feit 1 dat het oogmerk met betrekking tot de alternatief/subsidiair gestelde omstandigheid, te weten het verhelen van de oorzaak van overlijden, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
vierde middelklaagt ten aanzien van feit 1 dat het hof verzuimd heeft tot uitdrukking te brengen dat sprake is van een voortgezette handeling.
vijfde middelklaagt over de bewezenverklaring van feit 4, in het bijzonder wat betreft het opzet op het in voorraad hebben en verkopen van het middel Kamagra waarvoor geen handelsvergunning geldt.
Feit 4