Conclusie
Overwegingen met betrekking tot het bewijs ter zake van het onder 1 tenlastegelegde
Oordeel van het hof
Oordeel van het hof
eerste middelklaagt dat het oordeel van het hof dat het een feit van algemene bekendheid is dat zich in bouwwerken die gebouwd zijn vóór 1993 - met name die met een agrarische bestemming - (ook in wandplaten) asbesthoudende materialen kunnen bevinden, mede in het licht van een daartoe naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, niet zonder meer begrijpelijk is.
NJ2004/494) en dat “het gebruik van morfine, codeïne en cocaïne de rijvaardigheid kan verminderen” (HR 2 november 2010, ECLI:NL:HR:2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6787,
NJ2010/601).
tweede middelborduurt op hetzelfde thema voort. Geklaagd wordt dat het oordeel van het hof dat verdachte er rekening mee had moeten houden dat er mogelijk asbest in de wandbeplating zat, onbegrijpelijk is, nu uit de bewijsmiddelen niets blijkt op grond waarvan verzoeker had kunnen weten of moeten vermoeden dat er asbest in de wandbeplating was verwerkt.
derde middelklaagt dat het oordeel van het hof dat verdachte zich (telkens) als feitelijk leidinggever schuldig heeft gemaakt aan de door de rechtspersoon verrichte verboden gedragingen zoals bewezenverklaard onder 1 t/m 4, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.
vierde middelklaagt dat het oordeel van het hof dat [A] B.V. en [B] B.V. een handeling hebben laten verrichten, te weten het in de bodem laten brengen van verontreinigd puin, terwijl zij redelijkerwijs hadden kunnen vermoeden dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd, zoals onder 6 bewezenverklaard mede in het licht van hetgeen door de verdediging ter terechtzitting naar voren is gebracht, blijk geef van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is, omdat het hof niet heeft vastgesteld dat het puin daadwekelijk verontreinigd was.