Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
26 april 2016.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 3 april 2015. De advocaat van de verdachte heeft middelen van cassatie ingediend. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad heeft de middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is geen nadere motivering vereist omdat de middelen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling nopen.
Daarom heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen. Het arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en A.L.J. van Strien, en is uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 26 april 2016.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen zonder nadere motivering.