ECLI:NL:HR:2010:BN6787
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewezenverklaring rijden onder invloed van morfine, codeïne en cocaïne
Op 13 september 2007 werd verdachte aangehouden in Enschede omdat hij als bestuurder van een personenauto onder invloed van drugs reed. Het hof verklaarde bewezen dat verdachte morfine, codeïne en cocaïne of omzettingsproducten daarvan gebruikte, stoffen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat ze de rijvaardigheid konden verminderen.
De bewezenverklaring was gebaseerd op een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar die verdachte zag rijden met gevaarlijk rijgedrag en tekenen van druggebruik, en op een deskundigenrapport dat de aanwezigheid en concentratie van genoemde stoffen in het bloed van verdachte bevestigde.
Verdachte stelde in cassatie dat de motivering van het hof onvoldoende was, met name dat niet was vastgesteld dat hij wist of redelijkerwijs moest weten dat deze stoffen de rijvaardigheid konden verminderen. De Hoge Raad oordeelde dat het een feit van algemene bekendheid is dat morfine, codeïne en cocaïne de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden en dat verdachte dit niet heeft betwist.
Daarom is de bewezenverklaring voldoende gemotiveerd en wordt het cassatieberoep verworpen. Het arrest is uitgesproken door de Strafkamer van de Hoge Raad op 2 november 2010.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de bewezenverklaring dat verdachte onder invloed van morfine, codeïne en cocaïne reed blijft gehandhaafd.