De werknemer was statutair directeur bedrijfsmanagement bij Rabobank en sloot met de bank een vaststellingsovereenkomst waarin een beëindigingsvergoeding van €450.000 werd afgesproken. Deze overeenkomst werd gesloten voordat de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen met terugwerkende kracht per 1 januari 2015 in werking trad, die vertrekregelingen van financiële instellingen limiteert tot een bruto jaarsalaris.
Rabobank betaalde slechts een deel van de vergoeding en verweerde zich met het argument dat de volledige vergoeding nietig is vanwege strijd met de wet. De werknemer vorderde nakoming van de volledige vergoeding, al dan niet met wijziging van de overeenkomst of het aanvragen van ontheffing bij De Nederlandse Bank.
De kantonrechter oordeelde dat de overeengekomen vergoeding inderdaad strijdig is met de dwingende wetsbepalingen en daardoor nietig is. Echter, vanwege de terugwerkende kracht van de wet zonder passende overgangsregeling en het rechtszekerheidsbeginsel, achtte de rechter het onredelijk om de nietigheid toe te passen. Ook het eigendomsrecht zoals beschermd door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens werd betrokken in de overweging.
De kantonrechter veroordeelde Rabobank tot betaling van de volledige vergoeding van €450.000, vermeerderd met wettelijke rente, en wees het meer of anders gevorderde af. De procedurekosten werden niet toegewezen. De uitspraak werd gedaan in kort geding en is uitvoerbaar bij voorraad.