Conclusie
II. De geldigheid van de dagvaarding (middel verdachte)
eerste middeldat namens de verdachte is voorgesteld bevat de klacht dat de tenlastelegging in de inleidende dagvaarding onvoldoende concreet is, althans onvoldoende nader is omschreven, zodat de dagvaarding nietig verklaard had moeten worden. Het oordeel van het hof dat de dagvaarding en tenlastelegging voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt, geeft volgens de stellers van het middel dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
III. Beslissing op verzoeken tot nader onderzoek (middel verdachte)
tweede middeldat namens de verdachte is voorgesteld keren zich tegen afwijzing van het hof van de verzoeken van de verdediging:
NIETheeft benaderd op de bewuste 7 februari 2012 te 03.27 uur (NLtijd), de datum en het tijdstip waarop kennelijk [betrokkene 3] @hotmail.com lid wordt van forum [A] . Overigens een moment waarop cliënt volgens de RC-verklaring van zijn vrouw naast haar slaapt, en geen toegang heeft tot de pc zonder dat zij dat zou merken/horen.
chatgesprekken van [betrokkene 1] en [betrokkene 4], alsnog wordt gerelateerd vanaf welk IP-adres deze gesprekken zijn gevoerd, alsook wanneer en op welke tijd deze gesprekken op de gegevensdragers van cliënt zouden zijn gezet en of de gesprekken bewerkt zijn. Cliënt betwist immers gespreksdeelnemer te zijn, terwijl het bewaarde gesprekken betreft, waaronder in een hele korte periode van 13 t/m 16 maart 2013 en medio november 2013, welke gesprekken de rechtbank cliënt tegenwerpt (p. 9 vonnis). In de chatgesprekken zijn echter nog lege vlakken zichtbaar (p. 583 e.v.), die kennelijk nog moesten worden ingevuld, terwijl [betrokkene 8] blijkens de chatgesprekken met zichzelf aan het chatten is of geen ontvanger zichtbaar is, hetgeen niet aannemelijk is en duidt op bewerking/manipulatie.
in theorieals haalbaar en technisch mogelijk ingeschat, en is bereid en in staat daar nader onderzoek naar in te stellen (zie bijlage).
IV. Bewezenverklaring (middel verdachte)
derde cassatiemiddeldat namens de verdachte is voorgesteld, bevat diverse klachten vanuit verschillende invalshoeken over de bewezenverklaring van de tenlastegelegde handelingen en de motivering daarvan. Kort gezegd strekken de klachten ertoe dat uit de bewijsmiddelen die het hof heeft gebezigd niet kan volgen dat de verdachte de tenlastegelegde handelingen heeft begaan en dat diens voorgestelde alternatieve lezing – die niet met een bewezenverklaring strookt – onjuist zou zijn. Betoogd wordt dat de verdachte niet over de betreffende afbeeldingen heeft beschikt, daarover ook geen beschikkingsmacht heeft gehad en dat het niet zonder meer begrijpelijk is op grond waarvan het hof de bestanden als kinderpornografisch van aard heeft aangemerkt. De bewezenverklaring is daarom volgens de stellers van het middel onbegrijpelijk en onvoldoende met redenen omkleed.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Kwalificatie: is sprake van vervaardigen en/of een gewoonte maken in de zin van art. 240b Sr (middelen openbaar ministerie)
eerste middelricht zich tegen de vrijspraak van de verdachte van het vervaardigen van een aantal in de tenlastelegging van feit 1 onder (B) genoemde afbeeldingen. Volgens de toelichting op het middel geeft het oordeel van het hof dat slechts dan van een nieuwe afbeelding van een seksuele gedraging waarbij een minderjarige is betrokken of schijnbaar is betrokken kan worden gesproken, en daarmee van het vervaardigen van kinderporno, indien die nieuwe afbeelding wezenlijk verschilt van de reeds bestaande afbeelding en/of indien de indruk wordt gewekt van een rechtstreekse, expliciete, seksuele interactie van de verdachte met de minderjarige die in die opname te zien is, van een onjuiste rechtsopvatting. De stelling is dat het hof uitgaat van een te beperkte uitleg van het begrip vervaardigen door zijn oordeel dat pas sprake kan zijn van vervaardigen als bedoeld in art. 240b Sr als het gaat om nieuwe afbeeldingen die wezenlijk verschillen van bestaande afbeeldingen en/of indien de indruk wordt gewekt van een rechtstreekse, expliciete, seksuele interactie van de verdachte met de minderjarige die in die opname te zien is.
inhoudelijk/qua contentnog niet eerder bestaande) kinderpornografische afbeeldingen [24] en merkt hierover op:
tweede middelvoorgesteld door het openbaar ministerie komt op tegen de vrijspraak van de verdachte van de in art. 240b lid 2 Sr genoemde strafverzwarende omstandigheid dat verdachte van het bewezenverklaarde in bezit hebben en verspreiden van kinderporno een gewoonte heeft gemaakt. Geklaagd wordt dat vrijspraak van dit onderdeel van de tenlastelegging niet zonder meer begrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.
hoeveelheidkinderpornografische afbeeldingen en de
tijddie gemoeid is geweest met het aanleggen van de verzameling: [37]
VI. Motivering strafoplegging (middel verdachte)
vijfdenamens de verdachte voorgestelde
middelricht zich tegen de motivering van de strafoplegging. Het middel klaagt dat het hof, zonder nadere toelichting, met het grootschalig karakter in de straftoemeting ten nadele van de verdachte rekening gehouden heeft, zonder dat verdachte het grootschalig karakter heeft erkend en zonder dat verdachte in de gelegenheid is geweest bij de steekproef gehanteerde methode aan de orde te stellen en de verdediging wist niet om welke afbeeldingen het ging. Voorts wordt geklaagd dat het arrest innerlijk tegenstrijdig is omdat het hof de lange periode in de straftoemeting heeft betrokken en het hof de verdachte heeft vrijgesproken van ‘het gewoonte maken’.
Oplegging van straf en/of maatregel
VII. Beslagbeslissing (middel verdachte)
vierde middeldat namens de verdachte is voorgesteld komt met een motiveringsklacht op tegen de beslissing over de voorwerpen die niet (met kinderporno) besmet zijn en die het hof aan het verkeer onttrokken heeft.