Conclusie
middelklaagt dat de rechtbank de uitlevering ten onrechte ontoelaatbaar heeft verklaard en voert daartoe drie deelklachten aan. In het middel zijn deze genummerd als (i), (ii) en (iii). De eerste deelklacht richt zich tegen de motivering van het oordeel van de rechtbank, dat in de onderhavige zaak ten opzichte van de opgeëiste persoon sprake is van een dreigende flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM Pro en dat de door de verzoekende staat gegeven garantie te algemeen en te vaag is om het reële gevaar van deze schending te kunnen uitsluiten. De tweede deelklacht houdt in dat de rechtbank het toepasselijke toetsingskader heeft miskend door in dit kader niet vast te stellen dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel ten dienste staat als bedoeld in artikel 13 EVRM Pro respectievelijk artikel 2, derde lid aanhef en onder a, IVBPR. De derde deelklacht richt zich tegen de motivering van het oordeel van de rechtbank dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens ongenoegzaamheid van de stukken.
van derden,een flagrante schending oplevert van art. 6 EVRM Pro; [4]
“8. Dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro
Just Sign Here. Unfair Trials Based on Confessions to the Police in Moroccovan
Human Rights Watchuit juni 2013 houdt onder meer het volgende in:
Human Rights Watchheeft zes politiek gevoelige zaken met in totaal 84 verdachten uit de periode 2008-2013 onderzocht;
United Nations Working Group on Arbitrary Detentionvan 4 augustus 2014 (UN doc. A/HRC/27/48/Add.5) houdt onder meer het volgende in:
Working Grouptoont een patroon aan van gevallen waarin personen zijn veroordeeld uitsluitend op basis van verslagen die door de politie zijn opgesteld, terwijl de betrokkenen zich in detentie bevonden en onderworpen waren geweest aan marteling (Opinion No. 19/2013; Opinion No. 3/2013; Opinion No. 40 /2012; Opinion No. 25/2013);
Concluding observations on the sixth periodic report of Moroccovan de
United Nations Human Rights Committeevan 2 november 2016 (UN doc. CCPR/C/MAR/CO/6) houdt onder meer het volgende in:
Concluding observations;
Country Report on Human Rights Practices for 2016over Marokko van het
US Department of Statevan 3 maart 2017 houdt onder meer het volgende in:
Amnesty International‘Morocco: dozens arrested over mass protests in Rif report torture in custody’ van 1 augustus 2017 houdt onder meer het volgende in:
Committee against Torturegeoordeeld dat:
United Nations Working Group on Arbitrary Detention, het
United Nations Human Rights Committeeen het
US Department of Stategeoordeeld dat in Marokko willekeurige vrijheidsbeneming en marteling nog steeds voorkomen in zaken met betrekking tot personen die verdacht worden van terrorisme en beschouwd worden als een bedreiging voor de nationale veiligheid (EHRM 9 januari 2018, 36417/16 (X./Z[w]eden), § 57).
Forces Auxiliaires, acht de rechtbank aannemelijk dat de Marokkaanse autoriteiten de strafzaak tegen de opgeëiste persoon minst genomen als politiek gevoelig beschouwden.
eerste deelklachtricht zich tegen de motivering van het oordeel van de rechtbank, dat in de onderhavige zaak ten opzichte van de opgeëiste persoon sprake is van een dreigende flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM Pro en dat de door de verzoekende staat gegeven garantie te algemeen en te vaag is om het reële gevaar van deze schending te kunnen uitsluiten.
tweede deelklachthoudt in dat de rechtbank voorbij is gegaan aan het vereiste dat op basis van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat aan de opgeëiste persoon na te zijn uitgeleverd geen effectief rechtsmiddel ten dienste staat ter zake van de dreigende flagrante inbreuk. Hiertoe wordt onder meer een beroep gedaan op het reeds genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad. [13]
b) If they do not take this Convention as the legal basis for cooperation on extradition, seek, where appropriate, to conclude treaties on extradition with other States Parties to this Convention in order to implement this article.” [21]
(iii) Ongenoegzaamheid van de stukken
derde deelklachtkan ik betrekkelijk kort zijn. De rechtbank heeft de uitlevering ook ontoelaatbaar verklaard wegens ongenoegzaamheid van de stukken gelet op het ontbreken van (1) een origineel of authentiek afschrift van het internationaal aanhoudingsbevel d.d. 19 mei 2015 alsmede (2) de Marokkaanse strafbaarstelling van deelneming.
NJ2003/378, dat betrekking had op de eisen die worden gesteld aan de over te leggen stukken in weliswaar een ander uitleveringsverdrag maar in vergelijkbare bewoordingen. De Hoge Raad overwoog dat het in beginsel de taak is van de minister van Justitie (thans: en Veiligheid), toe te zien op de volledigheid van de door de verzoekende staat overgelegde stukken, om — indien zulks nodig of wenselijk is — te vragen om de noodzakelijke aanvulling op de gegeven inlichtingen, terwijl het de rechter vrijstaat om de behandeling van het uitleveringsverzoek aan te houden teneinde de verzoekende staat in de gelegenheid te stellen alsnog voor de nodige aanvulling van de stukken te zorgen. Hieruit maak ik op dat de in de schriftuur gewenste proactieve houding niet op de weg ligt van de uitleveringsrechter. Een bevestiging hiervoor lees ik in de daaropvolgende overweging van de Hoge Raad, dat de genoemde verplichting van de minister er niet aan in de weg staat dat de rechter de uitlevering ontoelaatbaar verklaart wegens de ongenoegzaamheid van de stukken. [43] De uitleveringsrechter mag de officier van justitie dus faciliteren, maar is daartoe niet verplicht.