ECLI:NL:HR:2003:AF3312
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak over ontoelaatbaarheid uitlevering wegens schending redelijke termijn
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam die de uitlevering van een persoon aan België ontoelaatbaar verklaarde vanwege een schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat sinds het verhoor van de opgeëiste persoon in 1993 geen vervolgingshandeling meer had plaatsgevonden en dat het tijdsverloop van negen jaar een flagrante schending opleverde die niet kon worden gecompenseerd.
De Hoge Raad stelt dat in gevallen waarin zowel de verzoekende als de aangezochte staat partij zijn bij het EVRM, in principe moet worden vertrouwd op de naleving van het verdrag door de verzoekende staat. Uitzondering hierop is wanneer de opgeëiste persoon door uitlevering wordt blootgesteld aan het risico van een flagrante schending van art. 6 EVRM Pro en er geen effectief rechtsmiddel (art. 13 EVRM Pro) beschikbaar is in de verzoekende staat.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank niet voldoende heeft onderzocht of de opgeëiste persoon na uitlevering een effectief rechtsmiddel heeft tegen een mogelijke schending van art. 6 EVRM Pro. Omdat dit niet is vastgesteld, is het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. Daarom vernietigt de Hoge Raad het vonnis en beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden gehoord in een zitting van de Hoge Raad over het uitleveringsverzoek.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en beveelt nader onderzoek naar het uitleveringsverzoek met inachtneming van art. 6 en 13 EVRM.