Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2004:AO8387

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00413/04 U
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.J.G. Bleichrodt
  • J.P. Balkema
  • A.J.A. van Dorst
  • B.C. de Savornin Lohman
  • J. de Hullu
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 6 EVRMArt. 13 EVRMArt. 1 EVRMArt. 8 Uitleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bevoegdheid Minister van Justitie bij uitleveringsbeslissing en verwerpt beroep tegen uitlevering aan Moldavië

De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon aan de Republiek Moldavië. De verdediging voerde aan dat uitlevering zou leiden tot schending van fundamentele rechten, met name het risico op marteling en een oneerlijk proces, in strijd met artikel 3 en Pro 6 EVRM en het VN-Folteringsverdrag.

De Rechtbank verklaarde de uitlevering toelaatbaar en wees het verweer af, stellende dat de beoordeling van het risico op schending van fundamentele rechten expliciet is voorbehouden aan de Minister van Justitie. De Rechtbank oordeelde dat geen feiten waren die een ontoelaatbaarheid van uitlevering aannemelijk maakten.

De Hoge Raad bevestigt deze lijn en oordeelt dat het vertrouwen in de verzoekende staat (Moldavië) en het ontbreken van concrete aanwijzingen voor flagrante schendingen van rechten de uitlevering niet in de weg staan. Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de Rechtbank haar oordeel voldoende heeft gemotiveerd en geen onbegrijpelijke beslissingen heeft genomen.

De uitspraak benadrukt dat de Overleveringswet geen wijziging brengt in de bevoegdheidsverdeling tussen rechter en Minister bij uitleveringen buiten de EU, en dat de Minister van Justitie het definitieve oordeel heeft over het risico van schending van fundamentele rechten bij uitlevering.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de Minister van Justitie bevoegd is om te oordelen over het risico van schending van fundamentele rechten bij uitlevering.

Uitspraak

25 mei 2004
Strafkamer
nr. 00413/04 U
AGJ/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Amsterdam van 6 februari 2004, nummer RK 03/650, op een verzoek van de Republiek Moldavië tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Moldavië) op [geboortedatum] 1971, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Geniepoort" te Alphen aan den Rijn.
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze hebben mr. R.M. Heemskerk en mr. J.W. Heemskerk, beiden advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de opgeëiste persoon zal oproepen ter zitting van de Hoge Raad teneinde, doende wat de Rechtbank had behoren te doen, opnieuw te oordelen over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering. Nadien is nog een brief van de raadsman mr. J.W. Heemskerk ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel komt op tegen de verwerping door de Rechtbank van het ter zitting gevoerde verweer dat strekte tot ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering.
3.2. De Rechtbank heeft dit verweer in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsvrouw heeft ter zitting kort gezegd het volgende aangevoerd.
Het uitleveringsverzoek dient ontoelaatbaar te worden verklaard wegens strijd met artikel 3 en Pro 6 van het EVRM. De op Nederland rustende verplichting de rechten onder het EVRM te eerbiedigen en te waarborgen, is onverenigbaar met een uitlevering aan de Republiek Moldavië. Bij uitlevering zal de opgeëiste persoon worden blootgesteld aan het reële risico te zullen worden gemarteld tijdens het verhoor door de politie en te zullen worden onderworpen aan onmenselijke, vernederende en anderszins mensonterende omstandigheden wanneer hij daar in detentie moet verblijven. Voorts zal hij bij uitlevering het reële risico lopen dat hij te Moldavië geen fair trial zal krijgen en geen - althans niet tijdig - toegang zal hebben tot een adequaat rechtsmiddel om zich tegen deze (dreigende) schendingen te verdedigen.
De Rechtbank overweegt hieromtrent het volgende:
De beoordeling van de vraag of er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering gevaar loopt in de verzoekende staat aan foltering of marteling te zullen worden onderworpen, is expliciet voorbehouden aan de Minister van Justitie. Alleen als vast zou komen te staan dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd door functionarissen van de verzoekende staat reeds is gefolterd of gemarteld kan de rechtbank de gevraagde uitlevering ontoelaatbaar verklaren. Hiervan is echter niet gebleken.
Tevens kan de Rechtbank de uitlevering ontoelaatbaar verklaren indien sprake zou zijn van een risico van een flagrante inbreuk op enig recht conform artikel 6 EVRM Pro. Van een zodanig risico is niet gebleken, terwijl ook door de raadsvrouw geen omstandigheden zijn aangevoerd die dat risico aannemelijk maken. Voor het overige is een eventuele schending van artikel 6 van Pro het EVRM ter beoordeling aan de Minister van Justitie en niet aan de uitleveringsrechter.
Wel ziet de rechtbank aanleiding om, gelet op de inhoud van de door de raadsvrouw als bijlagen overgelegde rapporten, de Minister van Justitie in het advies op deze rapporten te attenderen en de Minister te adviseren de inhoud daarvan zo mogelijk te betrekken bij zijn oordeel omtrent de daadwerkelijke uitlevering van de opgeëiste persoon.
Deze rapporten betreffen het rapport van Amnesty International van 2002 en het 'Rapport au Gouvernement de la République Moldova relatif à la visite effectuée en par le Comité européen pour la prévention de la torture et des peines ou traitements inhumains ou dégradants du 10 au 22 juin 2001' van 26 juni 2002. Deze rapporten schetsen een zorgelijke situatie in de Republiek Moldavië met betrekking tot (preventief) gedetineerden."
3.3. De eerste klacht van het middel houdt in dat de Rechtbank ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen het verweer dat de opgeëiste persoon het reële risico loopt na uitlevering te worden onderworpen aan een behandeling die in strijd is met art. 3 EVRM Pro en art. 3 VN Pro-Folteringsverdrag.
3.4.1. Bij de beoordeling van de klacht dient uitgangspunt te zijn dat omtrent de vraag of de gevraagde uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten, het oordeel is voorbehouden aan de Minister van Justitie. Zoals in HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 533 is overwogen, is daarvoor steun te vinden in het systeem van de Uitleveringswet, zoals daarvan blijkt uit de art. 8 en Pro 10 Uw, en in de geschiedenis van de totstandkoming van die wet. Wat dit laatste betreft kan worden gewezen op de Memorie van Antwoord die ten aanzien van het huidige art. 10 het Pro volgende inhoudt:
"De vraag of de opgeëiste persoon door uitlevering wordt blootgesteld aan discriminatoire vervolging is niet geheel aan beoordeling door de rechter onttrokken. Bij de behandeling van het uitleveringsverzoek zal de rechter zeker, hetzij naar aanleiding van door de opgeëiste persoon uitgesproken vrees voor zodanige vervolging, hetzij op eigen initiatief aan dit punt aandacht schenken. Het rechterlijk advies op dit punt is ongetwijfeld voor de door de Minister te nemen beslissing van groot belang. Dat niettemin het definitieve oordeel aan de Minister is voorbehouden, vloeit voort uit de omstandigheid dat de regering de beschikking heeft over informaties omtrent de politieke situatie en de strafrechtspleging in andere landen, die voor de rechter ontoegankelijk zijn. Indien de regering zou worden gebonden aan het oordeel van de rechter, zou zij niet verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de te nemen beslissing. Een eventuele interventie van de Nederlandse regering in geval tegen de verwachting in toch discriminatoire vervolging plaatsvindt, zou daardoor aan kracht inboeten".
(Kamerstukken II, 1965-1966, 8054, nr. 10, blz. 5)
3.4.2. Opmerking verdient dat de Overleveringswet (Wet van 29 april 2004, Stb. 195) geen verandering heeft gebracht in dit systeem. Bij die Wet is de overlevering aan Lidstaten van de Europese Unie geregeld, maar voor het uitleveringsverkeer met andere Staten blijven de desbetreffende Uitleveringsverdragen en de Uitleveringswet van kracht, met inbegrip van de in laatstgenoemde wet neergelegde verdeling van bevoegdheden tussen de uitleveringsrechter en de Minister van Justitie. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de Overleveringswet heeft geleid, houdt omtrent de voorschriften met betrekking tot de overlevering in:
"Inpassing van die voorschriften in de Uitleveringswet, waarvan de regels onverkort gehandhaafd dienen te blijven voor de relatie met niet EU-landen, zou niet hebben geleid tot een heldere regeling".
(Kamerstukken II 2002-2003, 29 042, nr. 3, blz. 7)
3.4.3. De klacht kan derhalve niet tot cassatie leiden.
3.5. De tweede klacht van het middel houdt in dat de Rechtbank ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen het verweer dat er sprake is van het risico van een flagrante schending van de aan de opgeëiste persoon uit de art. 6 en Pro 13 EVRM voortvloeiende rechten, waarbij gelet op de inhoud van die bepaling kennelijk bij vergissing tevens art. 15 VN Pro-Folteringsverdrag is genoemd.
3.6. Vooropgesteld zij dat indien de uitlevering is verzocht teneinde de opgeëiste persoon (verder) te vervolgen, het in het geval waarin - zoals hier - zowel de verzoekende Staat als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM, aan de rechter die moet oordelen over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering in het algemeen niet toekomt te beslissen over de vraag of in het kader van die strafvervolging enig in het EVRM gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is of dreigt te worden geschonden, omdat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dit verdrag zal eerbiedigen. Wat betreft art. 6 EVRM Pro kan dit beginsel evenwel uitzondering lijden indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht en voorts dat is komen vast te staan dat de betrokkene na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM Pro ten dienste staat, dat de ingevolge art. 1 EVRM Pro op Nederland rustende verplichting om rechten voortvloeiend uit art. 6 EVRM Pro te verzekeren in de weg staat aan nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering (vgl. HR 11 maart 2003, NJ 2004, 42).
3.7. Het oordeel van de Rechtbank dat van een zodanig risico niet is gebleken terwijl ook door de raadsvrouwe geen omstandigheden zijn aangevoerd die het risico van een flagrante inbreuk op art. 6 EVRM Pro aannemelijk maken, is niet onbegrijpelijk, nu dit oordeel kennelijk aldus moet worden verstaan dat de Rechtbank daarmede tot uitdrukking heeft gebracht dat door of namens de opgeëiste persoon niet is aangevoerd en dat evenmin uit de stukken blijkt dat zich met betrekking tot de onderhavige zaak reeds enige schending van art. 6 EVRM Pro heeft voorgedaan of dat ten aanzien de opgeëiste persoon sprake is van het risico van een flagrante inbreuk.
3.8. In het oordeel van de Rechtbank dat geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan de uitlevering ontoelaatbaar verklaard dient te worden, ligt verder besloten dat de Rechtbank niet aannemelijk heeft geacht dat de betrokkene na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM Pro ten dienste zou staan. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk.
3.9. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 25 mei 2004.