ECLI:NL:HR:2004:AO8387
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bevoegdheid Minister van Justitie bij uitleveringsbeslissing en verwerpt beroep tegen uitlevering aan Moldavië
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon aan de Republiek Moldavië. De verdediging voerde aan dat uitlevering zou leiden tot schending van fundamentele rechten, met name het risico op marteling en een oneerlijk proces, in strijd met artikel 3 en Pro 6 EVRM en het VN-Folteringsverdrag.
De Rechtbank verklaarde de uitlevering toelaatbaar en wees het verweer af, stellende dat de beoordeling van het risico op schending van fundamentele rechten expliciet is voorbehouden aan de Minister van Justitie. De Rechtbank oordeelde dat geen feiten waren die een ontoelaatbaarheid van uitlevering aannemelijk maakten.
De Hoge Raad bevestigt deze lijn en oordeelt dat het vertrouwen in de verzoekende staat (Moldavië) en het ontbreken van concrete aanwijzingen voor flagrante schendingen van rechten de uitlevering niet in de weg staan. Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de Rechtbank haar oordeel voldoende heeft gemotiveerd en geen onbegrijpelijke beslissingen heeft genomen.
De uitspraak benadrukt dat de Overleveringswet geen wijziging brengt in de bevoegdheidsverdeling tussen rechter en Minister bij uitleveringen buiten de EU, en dat de Minister van Justitie het definitieve oordeel heeft over het risico van schending van fundamentele rechten bij uitlevering.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de Minister van Justitie bevoegd is om te oordelen over het risico van schending van fundamentele rechten bij uitlevering.