Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.Het geschil bij het Hof
Hof
3.Het geschil in cassatie
BNB2013/149) [7] en van 28 februari 2014 (HR
BNB2014/98) [8] is teruggekomen op zijn arrest van 25 november 2011 (HR
BNB2012/78) [9] waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 25 november 2011 (HR
BNB2012/37) [10] heeft beslist, ook geldt voor de inkomstenbelasting in geval van de verstrekking van een lening door een aandeelhouder aan een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft.
4.Onzakelijke lening
Wettekst
uitonderneming: [17]
BNB1955/46 heeft de Hoge Raad reeds geoordeeld dat afwaarderingen van leningen waarvan de risico’s om niet zakelijke redenen zijn aanvaard, niet ten laste van de winst kunnen worden gebracht: [19]
BNB1978/252 heeft de Hoge Raad ter zake van een renteloze lening verstrekt door een buitenlandse grootmoeder aan een Nederlandse kleindochter geoordeeld dat het voordeel, bestaande uit het niet verschuldigd zijn van rente, niet tot de fiscale winst wordt gerekend, aangezien ingevolge artikel 7 Wet Pro IB 1964 (waarvan artikel 3.8 Wet IB 2001 de opvolger is) daartoe alleen worden gerekend voordelen welke worden verkregen
uitonderneming: [21]
BNB1988/217 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat er drie uitzonderingen zijn op het uitgangspunt dat de civielrechtelijke kwalificatie als lening ook fiscaalrechtelijk wordt gevolgd: [22]
BNB2001/256 betrof de zaak waarin belanghebbende, een pensioenlichaam dat de pensioenregelingen uitvoert van een BV, aan BV een converteerbare, achtergestelde geldlening heeft verstrekt toen de BV in de eerste helft van 1992 in grote financiële problemen raakte. In geschil was of de vordering van belanghebbende – die eind 1992 waardeloos bleek – door belanghebbende afgewaardeerd mocht worden ten laste van de fiscale winst. Het Hof had geoordeeld dat het verstrekken van de lening op onzakelijke gronden heeft plaatsgevonden en dat het verlies op de vordering niet aftrekbaar was. De Hoge Raad achtte dit oordeel feitelijk en niet onbegrijpelijk. [23]
BNB2004/265 heeft de Hoge Raad geoordeeld ter zake van het afstand doen door een moedervennootschap van het recht van verhaal op dochtervennootschap ter zake van door dochter afgegeven garanties voor door moeder aan derden verstrekte leningen: [24]
BNB2008/191 [25] , heeft de Hoge Raad arrest gewezen ter zake van een onzakelijke lening ‘omhoog’:
Kokis het na HR
BNB2008/191 nog onduidelijk hoe kan worden bepaald of de at arm’s length correctie in de rentevergoeding moet plaatsvinden óf dat de waardeveranderingen van leningen buiten toepassing moet worden gelaten. [29]
Vakstudie Nieuwshad in het commentaar bij HR
BNB2008/191 de nodige kritiek op het arrest en heeft het arrest zeer onbevredigend genoemd. Voorts hoopte de redactie van
Vakstudie Nieuwsdat sprake is van een zogenaamd “gelegenheidsarrest”: [32]
BNB2012/37. Daarin is hij onder meer ingegaan op de lening ‘omlaag’: [33]
BNB2012/37 [34] een uitgebreid gemotiveerd arrest gewezen ter zake van de onzakelijke lening. De Hoge Raad heeft in dit arrest onder meer geoordeeld op welke wijze de onzakelijke elementen uit de fiscale winst moeten worden geëlimineerd:
BNB2012/37 dat de fiscale praktijk reikhalzend heeft uitgekeken naar dit arrest van de Hoge Raad: [36]
BNB2012/37 geschreven dat de Hoge Raad heeft voorzien in de behoefte van belastingplichtigen voor een “totaaloplossing” voor het vraagstuk van de onzakelijke lening: [37]
BNB2012/37 geschreven dat de onzakelijke lening nu definitief en – min of meer – stevig is verankerd in de jurisprudentie: [38]
Vakstudie Nieuwsis content dat de Hoge Raad in HR
BNB2012/37 een groot aantal vragen heeft beantwoord die leefden na zijn arrest HR 2008/191: [39]
BNB2012/78. [40]
Vakstudie Nieuwsheeft geschreven bij mijn conclusie bij HR
BNB2012/78 ter zake van de toepassing van de terbeschikkingstellingsregeling op een onzakelijke lening: [41]
BNB2012/78 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de onzakelijke lening jurisprudentie ook van toepassing is op het terbeschikkingstellingsregime: [42]
BNB2012/78 ter zake van de toepassing van de terbeschikkingstellingsregeling op een onzakelijke lening heeft
Heithuisgeschreven: [43]
Vakstudie Nieuwsheeft in het commentaar bij HR
BNB2012/78 ter zake van de toepassing van de terbeschikkingstellingsregeling op een onzakelijke lening geschreven: [44]
BNB2012/79 betrof een zaak waarin een natuurlijk persoon, enig aandeelhouder van Holding BV, de afwaardering van zijn vordering op Holding BV ten laste van zijn fiscale winst wilde brengen. De Hoge Raad heeft als volgt geoordeeld: [45]
FutDheeft in een noot bij HR
BNB2012/37, HR
BNB2012/78 en HR
BNB2012/79 geschreven: [47]
BNB2013/149 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het verlies op onzakelijke leningen verstrekt door een in Nederland gevestigde BV aan (klein)dochtermaatschappijen niet aftrekbaar is: [48]
FutDvraagt zich af hoe de overweging van de Hoge Raad in HR
BNB2013/149 dat de voor- en nadelen die uit het debiteurenrisico voortvloeiden bij BV X door de toepassing van de deelnemingsvrijstelling buiten toepassing blijven, zich verhoudt tot de algemene lijn van de onzakelijke lening leer: [50]
BNB2014/98 betreft een zaak waarin belanghebbende (X Beheer BV) een lening heeft verstrekt aan haar kleindochter D BV en tevens garant staat voor een lening die D BV heeft aangetrokken bij een bank. D BV is failliet verklaard. Belanghebbende heeft uit hoofde van de borgtocht in 2002 een bedrag betaald. Belanghebbende heeft voor het jaar 2002 geen aangifte voor de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) ingediend en daarom is de aanslag Vpb 2002 ambtshalve vastgesteld. In bezwaar heeft belanghebbende alsnog een aangifte ingediend waarin zij een verlies ter zake van de lening aan D BV en een verlies ter zake van de betaling uit hoofde van de borgtocht ten laste van de fiscale wint heeft gebracht. De Hoge Raad heeft geoordeeld: [51]
BNB2016/133 dat de Hoge Raad heeft beslist dat de onzakelijke-leningjurisprudentie ook geldt voor de terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.91 Wet IB 2001 (inclusief de ‘in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke’ terbeschikkingstelling): [55]
BNB2008/191 op een onzakelijke lening ‘omlaag’ niet vanzelfsprekend is. Wél meent
Albertdat het verlies van de afwaardering van een onzakelijke lening niet aftrekbaar is: [58]
Peeterspast HR
BNB2008/191 geheel in een vaste lijn in de jurisprudentie. Voorts heeft
Peeterster zake van de onzakelijke lening ‘omlaag’ geschreven: [60]
BNB2008/191 is gebaseerd op artikel 3.8 Wet IB 2001.
Albertheeft dit geschreven in zijn bijdrage in de
NTFRover de fiscale gevolgen van de afwaardering van een onzakelijke tbs-vordering: [61]
bij belanghebbende door de van toepassing zijnde deelnemingsvrijstelling(cursivering van mij, EJWH).” Met dit duidelijke oordeel van de Hoge Raad staat dus vast dat een verlies op een onzakelijke lening “omlaag” bij de schuldeiser/aandeelhouder niet aftrekbaar is vanwege de toepassing van de deelnemingsvrijstelling. Het is een (negatief) voordeel uit hoofde van de deelneming ex art. 13 lid 1 Wet Pro VPB 1969. Deze conclusie leek mij overigens onontkoombaar. Bedacht moet immers worden dat bij een aandeelhouder/ lichaam alle voordelen uit de aandelen in een dochtervennootschap in beginsel deel uitmaken van haar (belaste) winst. Dit vloeit voort uit het concept van art. 2 lid 5 Wet Pro VPB 1969 dat bepaalt dat de lichamen, vermeld in art. 2 lid 1 onderdeel Pro a t/m d Wet WPB 1969, geacht worden hun onderneming te drijven met behulp van hun gehele vermogen. Voor de aandeelhouder is er in relatie tot haar dochtervennootschap(pen) (“neerwaarts”) dus niet zoiets als een onbelaste aandeelhouderssfeer en een belaste winstsfeer, zoals die er wel is voor de dochtervennootschap in de relatie tot haar aandeelhouder (“opwaarts”). Alle voordelen, ook de voordelen uit de aandelen in de dochtervennootschap, behoren bij de aandeelhouder dus tot de (in beginsel belaste) winstsfeer. Aangezien dit voordeel bij de dochtervennootschap niet aftrekbaar is, ontstaat er economische dubbele belastingheffing. Dit staat bekend als het klassieke stelsel. De deelnemingsvrijstelling is er dan om die economische dubbele belastingheffing te voorkomen.
Fiscale Encyclopedie De Vakstudieis over de totaalwinst en de deelnemingsvrijstelling geschreven:
5.Beoordeling van de klachten
I Is er een rechtsgrond voor de onzakelijke-leningjurisprudentie?
uiteen onderneming. Indien winst uit persoonlijke of vennootschappelijke betrekkingen dan wel andere bronnen dan uit onderneming wordt genoten, dan valt die winst niet binnen het fiscale inkomens- of winstbegrip dan wel althans niet onder artikel 3.8 Wet IB 2001. [74]
BNB2012/78 en HR
BNB2016/133 [79] - steunen dan ook op een solide basis in de parlementaire geschiedenis, zodat de desbetreffende klacht van belanghebbende faalt.
BNB2013/149 [85] en HR
BNB2014/98 [86] is teruggekomen op zijn onzakelijke lening arrest HR
BNB2012/78. [87] In het laatste arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de overwegingen in HR
BNB2012/37 [88] ook gelden voor de inkomstenbelasting in geval van een verstrekking van een lening door een aandeelhouder aan een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft (een onzakelijke lening ‘omlaag’).
BNB2013/149 en HR
BNB2014/98 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ter zake van een onzakelijke lening verstrekt door een moedervennootschap aan een (klein)dochtervennootschap bij de winstberekening van de betrokken vennootschappen alle voor- en nadelen die daaruit voortvloeien voor de vennootschapsbelasting buiten beschouwing blijven door de van toepassing zijnde deelnemingsvrijstelling.
kunnenuitmaken van de totaalwinst van de betrokken vennootschappen: zij vormen immers geen voordeel uit onderneming. In die visie wordt in zijn geheel niet toegekomen aan toepassing van de deelnemingsvrijstelling.
BNB2013/149 en HR
BNB2014/98 dit niet afwijzen en ook niet
expressis verbisblijk ervan geven dat de Hoge Raad “omgaat”.
BNB2016/133 [91] (ter zake de vraag of een afwaarderingsverlies op een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling als negatief resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking kan worden genomen) zijn geheel in overeenstemming met HR
BNB2012/78 en HR
BNB2012/79.