ECLI:NL:HR:2003:AH8973
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt fiscale correctie bij prijsgeven garantie door moedermaatschappij
In deze zaak stond de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over 1988 voor belanghebbende centraal, waarbij het Gerechtshof Amsterdam de aanslag had verminderd. De Staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak.
Belanghebbende, een bankbedrijf, had leningen verstrekt aan Duitse vennootschappen, waarbij dochtermaatschappij B garant stond voor een deel van deze leningen. In november 1988 besloot belanghebbende het kredietrisico te concentreren en liet zij de garanties van B vervallen. Dit prijsgeven van garanties leidde tot fiscale discussie over de waardering van het verlies en de fiscale winstcorrectie.
De Hoge Raad oordeelde dat indien het prijsgeven van het recht om de dochtermaatschappij in vrijwaring te roepen niet kan worden aangemerkt als handelen van een aandeelhouder als zodanig, het verlies fiscaal moet worden bepaald op de waarde van de garantstelling ten tijde van het prijsgeven. Het Hof had terecht geoordeeld dat de winst van belanghebbende moest worden gecorrigeerd met een zakelijke vergoeding voor het prijsgeven van de garantie. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard en de Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof bevestigd.