Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudende dat de verklaringen afgelegd door de aangeefster [slachtoffer] en de getuige [getuige 4] niet tot het bewijs mogen worden gebezigd omdat de desbetreffende verklaringen onbetrouwbaar zijn, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
tweede middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan tegen zijn levensgezel.
Stb.2006, 11 [4] voorgesteld het woord “levensgezel” in art. 304 Sr Pro in te voegen. [5] De toelichting bij de nota van wijziging houdt het volgende in over dit begrip [6] :
derde middelbehelst de klacht dat het hof het onder 1 bewezen verklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als “meermalen gepleegd”, aangezien het hof de verdachte onder 1 heeft vrijgesproken van het “(dagelijks) meermalen” mishandelen van [slachtoffer].
vierde middelbevat de klacht dat de strafoplegging, gelet op hetgeen door de raadsvrouwe ter terechtzitting is aangevoerd, ontoereikend is gemotiveerd.
vijfde middelbehelst de klacht dat het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt.