Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beoordeling van het vierde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
2 juli 2013.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor het mishandelen van zijn levensgezel op twee momenten in 2009. Het hof had het bewijs gebaseerd op verklaringen van de verdachte, aangifte van het slachtoffer, medische rapporten en een verklaring van een onbekende getuige. De aangifte was later door het slachtoffer ingetrokken, maar het hof achtte de oorspronkelijke aangifte betrouwbaar en ondersteund door andere bewijsmiddelen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof in strijd met de wet had nagelaten het gebruik van de verklaring van de onbekende getuige nader te motiveren, waardoor de bewezenverklaring onvoldoende was onderbouwd. Daarnaast was het oordeel van het hof dat het slachtoffer als 'levensgezel' in de zin van artikel 304 Sr Pro kon worden aangemerkt onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet had toegelicht dat de relatie de vereiste hechtheid en persoonlijke betrekking bezat.
De Hoge Raad verwierp het verweer dat de strafverzwaring van artikel 304 Sr Pro beperkt zou zijn tot huiselijk geweld, en bevestigde dat het ook geldt voor geweld gepleegd in een auto. Gelet op deze tekortkomingen vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde behandeling in hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.