Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
3.Het geding in feitelijke instanties
4.Het geding in cassatie
eerste cassatiemiddelvoert belanghebbende aan dat het Hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk, heeft geoordeeld dat hij door het niet-horen in bezwaar niet is benadeeld.
tweede cassatiemiddelhoudt in dat ’s Hofs oordeel, inhoudende dat de vrijstellingsbeschikking uit 2005 is komen te vervallen aangezien belanghebbende in de periode 25 januari 2007 tot en met 9 oktober 2009 niet de houder van de oldtimer was, in strijd is met het recht. Ter toelichting merkt belanghebbende op dat deze beschikking destijds onherroepelijk is komen vast te staan en nimmer is ingetrokken. Het verliezen van houderschap gedurende de periode 25 januari 2007 tot en met 9 oktober 2009 leidt volgens belanghebbende niet tot het vervallen van die beschikking, nu dit niet uit een wettelijke regeling of de voorwaarden van de betreffende beschikking volgt.
derde cassatiemiddel, ’s Hofs oordeel dat de vrijstellingsbeschikking uit 2009 door de wetswijziging zijn werking heeft verloren, in strijd met het recht. Belanghebbende wijst in dit kader op punt 4.3 van de uitspraak van rechtbank ’s-Gravenhage van 15 oktober 2008, nr. AWB 07/3285 MRB, ECLI:NL:RBSGR:2008:BG7090.
vierde cassatiemiddelbestrijdt belanghebbende het oordeel van het Hof, inhoudende dat de wijziging van het vrijstellingsregime wordt geacht te voldoen aan de vereisten van ‘lawfulness’. Naar de mening van belanghebbende is dit oordeel onbegrijpelijk omdat het Hof niet is ingegaan op de onweersproken stelling van belanghebbende dat te weinig tijd is gelegen tussen de aankondiging van de wetswijziging medio december 2013 en de ingangsdatum van de wetswijziging (1 januari 2014). Naar de mening van belanghebbende ontbreekt in dit geval een redelijke verhouding tussen het algemeen belang en de bescherming van zijn individuele rechten.
vijfde cassatiemiddeldat ’s Hofs oordelen dat de wetgever een legitiem doel nastreeft en dat deze keuze niet evident van redelijke grond is ontbloot, eveneens onbegrijpelijk zijn. Belanghebbende meent dat de feiten met betrekking tot het dagelijks gebruik van jonge oldtimers anders liggen dan het Hof veronderstelt. [11]
zesde cassatiemiddelaan dat hij het oordeel van het Hof dat geen sprake is van een buitensporige last, onbegrijpelijk vindt. Belanghebbende is van mening dat voor een buitensporige last een lagere maatstaf geldt dan het Hof heeft toegepast. [12] Naast de mrb die hij is verschuldigd, leidt het met het onderhavige tarief van € 120 samenhangende verbod om de auto gedurende de maanden januari, februari en december te gebruiken, tot extra kosten. Belanghebbende wijst in dit kader op de kosten voor de aanschaf van een andere auto voor de genoemde maanden [13] , de kosten van stalling van de oldtimer in die maanden en de waardedaling van de oldtimer als gevolg van het gewijzigde oldtimerregime.
eerste cassatiemiddelop tegen het hofoordeel dat de uitspraak op bezwaar voor wat betreft de voldoening van mrb in stand blijft, omdat belanghebbende door de schending van de hoorplicht niet is benadeeld.
HR BNB 2003/267 [18] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat – indien een belastingplichtige op zijn bezwaar niet overeenkomstig de daarvoor gestelde regels is gehoord – de belastingrechter met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro aan dit gebrek kan voorbijgaan, indien belanghebbende door de gang van zaken niet is benadeeld. De rechter moet wel motiveren waarom de belastingplichtige niet is benadeeld. De Hoge Raad heeft dit oordeel in
HR BNB 2005/300 [19] herhaald.
eerste cassatiemiddelfaalt derhalve.
6.De vrijstelling voor oldtimers
7.Artikel 1 EP Pro
vierde cassatiemiddelacht belanghebbende het oordeel van het Hof – inhoudende dat aan het criterium ‘lawfulness’ is voldaan – onbegrijpelijk, nu het Hof “met geen woord is ingegaan op de stelling in het hoger beroepschrift (…) dat er te weinig tijd is gelegen tussen de aankondiging van de wetswijziging medio december 2013 en de ingangsdatum van de wetswijziging 1 januari 2014”. Belanghebbende meent dat – door terstond een gewijzigde regeling in te voeren – geen redelijke verhouding bestaat tussen het algemene belang en de bescherming van zijn individuele rechten. Over dit middel merkt de Staatssecretaris in zijn verweerschrift op dat de wetgever bij het bepalen van het tijdstip van inwerkingtreding van nieuwe wetgeving geen rekening hoeft te houden met de tijd die betrokkenen nodig hebben om schadebeperkende maatregelen te treffen. Voorts meent de Staatssecretaris dat de klacht van belanghebbende, gezien punt 4.12 van de uitspraak van het Hof, feitelijke grondslag mist.
vijfde cassatiemiddel). Volgens belanghebbende liggen de feiten anders dan het Hof veronderstelt. Belanghebbende wijst in dit verband op een rapport van Stichting Autobelangen, getiteld: ‘Het complete en eerlijke verhaal’. Wat betreft het legitieme doel merkt de Staatssecretaris op dat de wetgever bij de beoordeling van wat in het algemeen belang is, een ruime beoordelingsvrijheid toekomt en dat de wetgever deze beoordelingsvrijheid niet heeft overschreden.
zesde cassatiemiddel). Naar de mening van belanghebbende geldt voor de beoordeling of sprake is van een buitensporige last een veel lagere maatstaf dan het Hof hanteert. Hij wijst in dit kader naar punt 3.4.8 van
HR BNB 2010/335 [38] . Belanghebbende wijst naast de verschuldigde mrb, op de waardedaling van de oldtimer en op de kosten die hij moet maken voor vervangend vervoer en de stalling van de oldtimer in de maanden januari, februari en december. Ook is belanghebbende van mening dat bij gebruikmaking van de overgangsregeling, het verbod om in de maanden januari, februari en december gebruik te maken van de openbare weg, leidt tot strijdigheid met het vrije verkeer van personen. De Staatssecretaris meent dat het oordeel van het Hof inzake de individuele en buitensporige last getuigt van een juiste rechtsopvatting. Voorts berusten de oordelen van het Hof naar de mening van de Staatssecretaris op een aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen.
Burden [40] :
N.K.M. [43] , over een excessieve heffing over ontslagvergoedingen, overweegt het EHRM met betrekking tot die eis (cursivering van mijn hand):
Article 1 of Protocol No. 1 requires that any interference by a public authority with the peaceful enjoyment of possessions should be lawful: indeed, the second sentence of the first paragraph of that Article authorises the deprivation of possessions “subject to the conditions provided for by law”. Moreover, the rule of law, one of the fundamental principles of a democratic society, is a notion inherent in all the Articles of the Convention (see Former King of Greece and Others v. Greece [GC] (merits), no. 25701/94, § 79, ECHR 2000–XII, and Broniowski, cited above, § 147).
sufficiently accessible, precise and foreseeable in their application(see Guiso-Gallisay v. Italy, no. 58858/00, §§ 82-83, 8 December 2005). The Court would add that similar considerations apply to interferences with the peaceful enjoyment of possessions. (…)”
HR BNB 2014/219 [44] heeft de Hoge Raad – in een zaak over de invoering van kansspelbelasting voor kansspelautomaten – de jurisprudentie van het EHRM wat betreft lawfulness als volgt ‘vertaald’ (cursivering CE):
in overeenstemming met het nationale recht dient te zijn. Verder is vereist dat het toepasselijke nationale recht voldoende
toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening is.
De vereisten van precisie en voorzienbaarheid brengen mee dat een wet zodanig duidelijk is dat de burger redelijkerwijs in staat is om de daaruit voortvloeiende gevolgen van dienst handelen te voorzien, zodat hij zijn gedrag op de wet kan afstemmen(vgl. EHRM 26 april 1979, Sunday Times tegen Verenigd Koninkrijk, no. 6538/74. Paragraaf 49).”
voorzienbaaris, is aan de orde. Belanghebbende meent dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord omdat hem te weinig tijd is gegund zijn handelen op de gewijzigde situatie af te stemmen.
N.K.M.het volgende overwogen:
Thus, a norm cannot be regarded as a “law” unless it is formulated with sufficient precision to enable citizens to regulate their conduct; they must be able – if need be with appropriate advice – to foresee, to a degree that is reasonable in the circumstances, the consequences which a given action may entail.Such consequences need not be foreseeable with absolute certainty: experience shows this to be unattainable.
Again, whilst certainty is highly desirable, it may bring in its train excessive rigidity, and the law must be able to keep pace with changing circumstances.Accordingly, many laws are inevitably couched in terms which, to a greater or lesser extent, are vague and whose interpretation and application are questions of practice (see The Sunday Times v. the United Kingdom (no. 1), 26 April 1979, § 49, Series A no. 30; Kokkinakis v. Greece, 25 May 1993, § 40, Series A no. 260-A; and Rekvényi v. Hungary [GC], no. 25390/94, § 34, ECHR 1999-III).
Centro Europa –indien een belastingplichtige kan voorspellen welke gevolgen een bepaalde handeling kan hebben.
HR BNB 2014/219aan dat de wetswijziging (de invoering van kansspelbelasting voor kansspelautomaten) niet voorzienbaar, en dus niet lawful, was, omdat de periode tussen de aanvaarding van de regelgeving en de inwerkingtreding daarvan te kort was voor belastingplichtigen om daarop te anticiperen. De Hoge Raad verwerpt deze klacht in punt 4.3.6 van het arrest (cursivering van mijn hand):
Anders dan waarvan het middel uitgaat, houden de vereisten van precisie en voorzienbaarheid niet in dat de fiscale wetgever bij het bepalen van het tijdstip van inwerkingtreding van nieuwe wetgeving rekening moet houden met de tijd die betrokkenen nodig hebben om schadebeperkende maatregelen te treffen.”
vierde cassatiemiddeltreft dus geen doel.
N.K.M.(cursivering CE):
the national authorities accordingly enjoy a certain margin of appreciation. Furthermore, the notion of “public interest” is necessarily extensive(see Vistiņš and Perepjolkins, cited above, § 106).
The power of appreciation of the States parties in such matters is therefore a wide one(see Gasus Dosier- und Fördertechnik GmbH, cited above, § 60, and National etc., cited above, §§ 80-82).”
N.K.M.zelfs van een ‘particularly broad margin of appreciation’ en in punt 566 van
Yukos [46] van een ‘exceptionally wide margin of appreciation’. Dit leidt ertoe dat niet snel zal worden aangenomen dat geen sprake is van een legitimate aim, tenzij het doel van de regeling evident van iedere redelijk grond is ontbloot. Zie in dit kader punt 59 van
N.K.M.(met mijn cursivering):
were manifestly devoid of any reasonable basis(compare and contrast Tkachevy v. Russia, no. 35430/05, § 50, 14 February 2012).”
HR BNB 2014/219als volgt:
vijfde cassatiemiddelfaalt dan ook.
N.K.M.(cursivering CE)
:
unreasonable burden on her or fundamentally undermined her financial situation – and thereby failed to strike a fair balance between the various interests involved(see M.A. and 34 Others v. Finland (dec.), no. 27793/95, 10 June 2003; Imbert de Trémiolles v. France (dec.), nos. 25834/05 and 27815/05 (joined), 4 January 2008; Spampinato v. Italy (dec.), no. 69872/01, 29 March 2007; and Wasa Liv Ömsesidigt, Försäkringsbolaget Valands Pensionsstiftelse v. Sweden, no. 13013/87, Commission decision of 14 December 1988, Decisions and Reports 58, p. 186).”
HR BNB 2011/65 [49] dat de omstandigheid dat een auto (mogelijk) minder waard wordt als gevolg van een tariefsverhoging, niet in zijn algemeenheid leidt tot strijdigheid met artikel 1 EP Pro. In deze zaak ging het om een belanghebbende die een bestelauto bezat. Tot 1 juli 2005 gold voor bestelauto’s een lager belastingtarief dan voor personenauto’s. Met ingang van 1 juli 2005 is – zonder overgangsrecht – de Wet zodanig aangepast dat wat betreft het tarief voor een bestelauto werd aangesloten bij het tarief voor een personenauto. Als gevolg hiervan was de belanghebbende in die zaak beduidend meer mrb verschuldigd. Hij klaagde hierover, onder meer met een beroep op artikel 1 EP Pro, maar zonder succes. De Hoge Raad overwoog het volgende:
HR V-N 2016/7.17 [50] (inzake de crisisheffing), overweegt de Hoge Raad dat bij de beoordeling of sprake is van fair balance:
HR V-N 2016/7.17overweegt met betrekking tot belastingtarieven, heeft naar mijn mening eveneens te gelden voor vrijstellingen, niet in de laatste plaats omdat vrijstellingen een afwijking vormen op het heffingssysteem. Belanghebbende kon er dus in redelijkheid niet op rekenen dat de oldtimervrijstelling ongewijzigd zou blijven.
HR BNB 2010/335 [51] aanvoert – geen verkeerde maatstaf aan.
zesde cassatiemiddelfaalt eveneens.
8.De vrijstellingsbeschikkingen
niet-horen door de Inspecteur en de schending van artikel 1 EP Pro, klaagt belanghebbende (in zijn tweede en derde cassatiemiddel) ook over de oordelen van het Hof met betrekking tot de vrijstellingsbeschikkingen. Belanghebbende meent dat de vrijstellingsbeschikking uit 2005 niet is ingetrokken en daardoor nog steeds van kracht is. Het verliezen van het houderschap betekent niet dat de beschikking komt te vervallen, aldus belanghebbende in zijn
tweede cassatiemiddel.
derde cassatiemiddelvoert belanghebbende aan dat de vrijstellingsbeschikking uit 2009 nog steeds van kracht is omdat deze eveneens niet is ingetrokken. Een wetswijziging betekent volgens belanghebbende niet dat de beschikking haar werking verliest. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst belanghebbende op de uitspraak van rechtbank ’s-Gravenhage van 15 oktober 2008, AWB 07/3285, ECLI:NL:RBSGR:2008:BG7090.
beschikking. De oldtimervrijstelling is immers bij beschikking verleend. De vrijstelling is weliswaar per 1 januari 2014 vervallen, maar de vrijstellingsbeschikking uit 2005 naar zijn mening niet. Eerder heb ik al opgemerkt dat de Awb geen algemene regeling kent omtrent de intrekking of het vervallen van beschikkingen. Uit hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt met betrekking tot de regeling in artikel 27 van Pro het Uitvoeringsbesluit volgt dat daarin weliswaar regels zijn opgenomen met betrekking tot de intrekking of het vervallen van de
vrijstelling, maar niet met betrekking de intrekking of het vervallen van een afgegeven vrijstellings
beschikking. De vraag die hier beantwoording behoeft is of de Inspecteur, hoewel de Wet inmiddels is gewijzigd, ook na 1 januari 2014 gebonden moet worden geacht aan de eerder afgegeven beschikking. Dat is mijns inziens een vraag over de toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het vertrouwensbeginsel. Moet het legaliteitsbeginsel in casu wijken voor het vertrouwensbeginsel?
beschikkinguit 2005 is vervallen. Zoals gezegd kan uit de regelgeving wél worden afgeleid dat de vrijstelling is vervallen, maar niet dat de beschikking is ingetrokken of vervallen. Belanghebbende komt in zijn tweede cassatiemiddel mijns inziens in zoverre terecht op tegen dat oordeel. Toch kan dat middel – gelet op het navolgende – in mijn ogen niet tot cassatie leiden.
derde cassatiemiddelnaar mijn mening.
HR BNB 1979/311 [62] overwoog de Hoge Raad in verband daarmee:
HR BNB 1979/311 [63] duidelijk wat het verschil is tussen een toezegging en een algemene inlichting. Ik citeer en cursiveer:
dat de fiscus niet gebonden kan worden geacht aan alle zijnerzijds gedane uitlatingen waardoor bij een belastingplichtige verwachtingen zijn gewekt ten aanzien van een door de fiscus te volgen gedragslijn;
dat het risico van een onjuiste inlichting in de regel voor rekening van de betrokken belastingplichtige blijft;
HR BNB 1979/311omschrijft de Hoge Raad de toezegging als een uitlating van de fiscus dat hij in het geval van een bepaalde belastingplichtige aan de fiscale regels een bepaalde toepassing zal geven. Volgens
HR BNB 1984/240 [64] is beslissend of sprake is van een door belanghebbende
redelijkerwijsals een toezegging op te vatten uitlating.
Of, en zo ja in welke mate, belanghebbende daarna in verband met het eerder gewekte vertrouwen een overgangstermijn moet worden gegund, is afhankelijk van feitelijke omstandigheden.(…)”
het tweedeals
het derde cassatiemiddel.
9.Recapitulatie
eerste cassatiemiddel– inhoudende dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat hij, doordat hij in bezwaar niet is gehoord, niet is benadeeld – faalt. De in bezwaar geuite wens van belanghebbende rechtstreeks beroep in te stellen bij de Rechtbank impliceert dat hij geen behoefte (meer) had in bezwaar informatie en (wederzijdse) standpunten uit te wisselen met de Inspecteur. Bovendien volgt uit de stukken dat geen verschil van mening bestond of bestaat tussen belanghebbende en de Inspecteur over de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan.
vierde cassatiemiddel(het eerste middel dat ziet op artikel 1 EP Pro) faalt dan ook.
vijfde cassatiemiddelkan evenmin tot cassatie leiden. Het oordeel van het Hof dat sprake is van een legitimate aim, is niet onbegrijpelijk. De doelen die de wetgever nastreeft met de wijziging van het oldtimerregime (het beperken van milieuschade, meeropbrengst voor de schatkist en het in standhouden van mobiel cultureel erfgoed) zijn van algemeen belang. De wetgever is gebleven binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid.
zesde cassatiemiddelfaalt. Anders dan belanghebbende ben ik van mening dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last. Het Hof heeft bij de toetsing daarvan een juiste maatstaf aangelegd. Tot slot zie ik niet in hoe de wetswijziging per 1 januari 2014 strijd oplevert met ‘het vrije verkeer van belanghebbende’ respectievelijk ‘het vrije verkeer van personen’. Nu belanghebbende deze stelling niet nader heeft onderbouwd, kan ook deze niet tot cassatie leiden.
tweede en derde cassatiemiddelterecht op tegen de oordelen van het Hof dat de vrijstellingsbeschikkingen uit 2005 en 2009 zijn vervallen. Niet de vrijstellingsbeschikkingen, maar de vrijstelling is vervallen. Toch kunnen genoemde cassatiemiddelen van belanghebbende niet tot cassatie leiden. Belanghebbende heeft noch op grond van de vrijstellingsbeschikking uit 2005, noch op grond van de vrijstellingsbeschikking uit 2009 in het onderhavige tijdvak recht op de oldtimervrijstelling. Door het afgeven respectievelijk het niet intrekken van de beschikkingen is bij belanghebbende geen in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat de oldtimersvrijstelling ook na 1 januari 2014 nog van toepassing is.