Belanghebbende kocht in 2009 een personenauto uit 1978 en genoot destijds vrijstelling van motorrijtuigenbelasting op grond van het toen geldende regime voor voertuigen van 25 jaar of ouder. Per 1 januari 2014 werd het regime gewijzigd, waardoor alleen voertuigen van 40 jaar of ouder vrijgesteld zijn. De Inspecteur stuurde belanghebbende een rekening motorrijtuigenbelasting voor 2014, welke belanghebbende betaalde, maar waartegen hij bezwaar maakte.
De rechtbank wees het beroep af, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Het Hof oordeelde dat de Inspecteur terecht niet instemde met rechtstreeks beroep en dat het niet horen van belanghebbende in bezwaar niet tot benadeling leidde. De vrijstellingsbeschikking uit 2009 was onherroepelijk maar verloor werking door de wetswijziging. Er was geen sprake van een in rechte te honoreren opgewekt vertrouwen omdat de wijziging tijdig was gecommuniceerd.
Het Hof stelde vast dat de wetswijziging een legitiem algemeen belang dient, gezien de toename en het gebruik van jonge oldtimers. De wijziging was wettelijk en proportioneel. Belanghebbende had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij door de wijziging een buitensporige last leed. Wel werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten wegens het niet horen in bezwaar.