Conclusie
1.Procesverloop
3.Bespreking van de cassatieklachten van Vabeog (principaal cassatieberoep)
Onderdeel 1.1klaagt dat de daar gegeven beslissingen rechtens onjuist zijn. Het onderdeel stelt voorop dat, indien de rechtbank uitgaat van een waardebepaling op basis van ruwe bouwgrond in de zin van art. 40d Ow, alle lasten die relevant zijn voor het in exploitatie brengen van het complex in aanmerking dienen te worden genomen (art. 40d lid 1 onder a Ow). Deze regel verzet zich in beginsel niet tegen het rekening houden met verontreiniging van bepaalde gronden binnen het complex en het dientengevolge toekennen van een lagere waarde aan die gronden, doch dit wordt volgens het onderdeel anders indien de bedoelde verontreiniging niet zodanig ernstig is dat deze onder de voorheen vigerende bestemming behoefde te worden gesaneerd en sanering pas noodzakelijk is geworden om de bestemming die aan de onteigening ten grondslag ligt, te kunnen realiseren en exploiteren. In dat geval moet volgens het onderdeel in het kader van art. 40d lid 1 onder a Ow ook de met de verontreiniging van sommige binnen dat complex gelegen gronden samenhangende lasten rekening worden gehouden, voor zover een redelijk handelend verkoper en koper hiermee rekening plegen te houden. Het onderdeel stelt dat Vabeog heeft betoogd dat de bestemmingswijziging de sanering noodzakelijk heeft gemaakt [10] en dat, nu de rechtbank dat betoog niet heeft verworpen, in ieder geval bij wijze van hypothetische feitelijke grondslag in cassatie van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Ook de met de verontreiniging samenhangende lasten dienen daarom in het onderhavige geval gelijkelijk te worden omgeslagen over alle in het complex gelegen gronden, aldus nog steeds het onderdeel.
economischeen (art. 40d lid 1, aanhef en onder b:) een
planologischemiddeling, is niet per definitie het enig juiste eindresultaat van de bepaling van de werkelijke waarde van een onteigend grondstuk dat deel uitmaakt van een complex. Aan een bepaald tot een complex behorend perceel kan een hogere of een lagere waarde dan de complexwaarde worden toegekend. [13] Uw Raad oordeelde in 1958 onder vigeur van art. 40a (oud) Ow
waarvan sanering pas noodzakelijk is geworden teneinde de bestemming die aan de onteigening ten grondslag ligt, te kunnen realiseren en exploiteren, niet alleen maar drukt op de waarde van het verontreinigde onteigende perceel, maar behoort te drukken op alle gronden in het complex, zodat dat effect wordt uitgesmeerd over alle gronden van het complex, die daardoor dus een lagere complexwaarde zouden moeten krijgen. In de schriftelijke toelichting (nr. 3.7) zijdens Vabeog is dit als volg toegelicht. Pas door de realisering van de nieuwe bestemming ontstaan de saneringsplichten. De kosten die daarmee gemoeid zijn, zijn lasten die samenhangen met het in exploitatie brengen van de percelen, nu deze nodig zijn om de bestemming te kunnen realiseren. Het zijn kosten die te vergelijken zijn met bijvoorbeeld de kosten die samenhangen met het afgraven van een deel van het perceel om daarop een vijver in het kader van een groenvoorziening aan te leggen, en daarmee kosten die voortvloeien uit het in exploitatie brengen van het complex.
Onderdeel 2.1klaagt dat de beslissing onjuist is omdat de rechtbank zou hebben miskend dat zij bij de waardebepaling van het onteigende op basis van de in art. 40b lid 2 Ow bedoelde prijs in het geval van verontreiniging van het onteigende die op de peildatum al aanwezig maar nog niet ontdekt was, moest onderzoeken in hoeverre een met die verontreiniging bekende redelijk handelend verkoper en koper die in de koopprijs zouden hebben verdisconteerd. Het onderdeel betoogt dat het bedrag dat een redelijk handelend verkoper en koper wegens verontreiniging in de koopprijs verdisconteren, anders dan de rechtbank klaarblijkelijk veronderstelt, niet zonder meer gelijk is aan de kosten van het saneren van die verontreiniging.
per definitiegelijk is aan de saneringskosten. Ik zie echter in het bestreden oordeel geen aanwijzing ervoor dat de rechtbank een zodanige opvatting huldigde. Naar mijn mening geeft het oordeel van de rechtbank dat in dit geval de denkbeeldige verkoper en koper elkaar zouden vinden op een minderwaarde, ten bedrage van de (in een concurrerende markt tot € 130.000 beperkbare) saneringskosten, geen blijk van enige onjuiste rechtsopvatting. [30]
afwijkendbedrag zouden verdisconteren in de koopprijs, achterwege mocht laten, nu zo’n afwijkend bedrag kennelijk niet in het partijdebat is betrokken. Het onderdeel wijst in ieder geval niet op enige door Vabeog bij de rechtbank naar voren gebrachte argumentatie ten betoge dat de redelijk handelende verkoper en koper een ander (lager) bedrag dan dat van de geschatte saneringskosten zouden verdisconteren.
de deskundigengeen aanleiding zagen tot een neerwaartse bijstelling van de complexwaardering wegens de bodemverontreiniging lijkt mij van geen gewicht. Het is het kennelijk de rechtbank niet ontgaan dat dat slechts hun aanvankelijke visie was, en dat de deskundigen nadere informatie hebben gekregen op grond waarvan zij, na heroverweging, in hun definitieve rapport (blz. 13-14) tot de (door de rechtbank gevolgde) visie zijn gekomen dat een aftrek van € 130.000 passend was.
Onderdeel 3.1klaagt dat dit oordeel onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Ter toelichting wijst het onderdeel erop dat Vabeog heeft aangevoerd dat de Gemeente naast haar percelen gelegen gronden heeft overgenomen van de Provincie en daarmee het risico heeft overgenomen voor verontreinigingen die zich van het aangekochte terrein hebben uitgebreid op terreinen van anderen. Het onderdeel stelt dat, hoewel uitgangspunt is dat de veroorzaker van verontreiniging van het perceel van een ander in een separate procedure (uit onrechtmatige daad) kan worden aangesproken en daarmee uitgangspunt is dat de vraag wie de verontreiniging heeft veroorzaakt in het kader van de waardebepaling van het onteigende niet van belang is, dat anders is in gevallen als de onderhavige. Volgens het onderdeel ligt het vanuit een oogpunt van proceseconomie voor de hand om, indien de eigenaar van het perceel dat de verontreiniging van een naastgelegen perceel heeft veroorzaakt, door onteigening ook eigenaar wordt van dit naastgelegen perceel, dit aspect mee te nemen bij het bepalen van de hoogte van de schadeloosstelling na onteigening. Ter toelichting stelt het onderdeel dat, indien komt vast te staan dat de onteigenaar aansprakelijk is voor de verontreiniging van het onteigende perceel, bij het bepalen van de werkelijke waarde geen correctie wegens de verontreiniging van het onteigende dient plaats te vinden omdat die correctie kan worden verrekend met de daarvoor uit hoofde van onrechtmatige daad verschuldigde schadeloosstelling. Doordat onteigend wordt, staat volgens het onderdeel vast dat de door de verontreiniging geleden schade (aan het onteigende) het bedrag is waarvoor zonder aansprakelijkheid van de onteigenaar een correctie zou hebben plaatsgevonden. Althans dient de rechter volgens het onderdeel in de hiervoor genoemde gevallen te motiveren waarom, ondanks het proceseconomische voordeel dat het behandelen van de aansprakelijkheidsvraag in verband met de verontreiniging oplevert, desalniettemin geen aanleiding bestaat om daarop in verband met de bepaling van de schadeloosstelling na onteigening in te gaan.
datde (totale aangetroffen) verontreiniging afkomstig is van belendende percelen, maar slechts dat “van belang is dat de gemeente gronden heeft verworven van de Provincie en daarmee het risico heeft overgenomen voor verontreinigingen die van het aangekochte terrein zich hebben uitgebreid op terreinen van anderen.” [32] Uw Raad kan dus, lijkt mij, niet bij wege van hypothetische feitelijke grondslag ervan uitgaan dat de Gemeente aansprakelijk is voor de schade ten gevolge van de totale in het onteigende aangetroffen bodemverontreiniging, maar slechts daarvan dat de Gemeente het risico heeft ‘overgenomen’ [33] voor de verontreiniging die zich van het door haar van de Provincie gekochte terrein heeft uitgebreid over de onteigende percelen. We zijn dus m.i. ver verwijderd van een voor dadelijke vereffening vatbare vordering ten bedrage van € 130.000 van Vabeog op de Gemeente, waarmee Vabeog de correctie wegens de verontreiniging van het onteigende wil verrekenen. In dit licht acht ik de uiteenzettingen in de schriftelijke toelichting van de mrs. Scheltema en Wiegerink (nr. 3.19 en 3.20) ten betoge dat de begroting van de door de Gemeente veroorzaakte schade een gemakkelijke klus is, ja zelfs ‘op voorhand duidelijk’ is, niet overtuigend.
contra legemin een onteigeningsprocedure te buigen over een onrechtmatige-daadvordering van Vabeog op de Gemeente.
in optima formaaanwijsbaar was. Zo overwoog Uw Raad in zijn arrest van 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AH9904, NJ 2003/550 ( […] /Rotterdam):
4.Bespreking van de cassatieklachten in het incidenteel cassatieberoep
dat voortzetting van de onderneming van Vabeog in de gegeven omstandigheden in de rede ligtenigszins de indruk dat de rechtbank zich voor die keuze gesteld zag. De rechtspraak van Uw Raad leert immers dat de rechter bij die keuze als maatstaf moet hanteren (kort gezegd:) welke van die twee mogelijkheden met inachtneming van de omstandigheden van het geval het meest in de rede ligt. [43]
de hele onderneming, geoordeeld dat voortzetting van die onderneming in de rede ligt, en niet onderzocht wat Vabeog zonder de onteigening met
het onteigendezou hebben gedaan. De Gemeente heeft betoogd dat Vabeog het onteigende zonder onteigening zou hebben verkocht omdat zij wegens de begrenzingen van haar eigendom en de daarop gelegde bestemmingen niet in staat was om de bestemmingen zelf te realiseren. [45] Ik kan in de bestreden overweging, en ook elders in het vonnis, geen beoordeling hiervan vinden.
onderdeel bvan het incidentele middel. Zoals de deskundigen op blz. 17 van hun rapport vermelden, maakte zij aanspraak op vergoeding van kosten van wederbelegging met het betoog dat zij het onteigende als duurzame belegging aanhield en dat haar redelijke belang herbelegging in onroerend goed vordert. Daarmee zat zij in een ander leerstuk van het onteigeningsschadevergoedingsrecht, en wel een leerstuk waarover ik in 2014 geschreven heb in mijn conclusie in de zaak Beenders/Weert (zie de nrs. 3.3, 3.4 en 3.9), door Uw Raad beslist bij arrest van 6 februari 2015. [48] Dat betreft gevallen, als aan de orde in de rechtspraak van Uw Raad van 1981 en later, waarin ook zelfstandig, buiten het verband van de inkomensschade, aanspraak op vergoeding van kosten van wederbelegging geldend kan worden gemaakt door de onteigende (a) die het onteigende onroerend goed als duurzame belegging aanhield en (b) wiens redelijk belang herbelegging in onroerend goed vordert. Zoals ik in de genoemde conclusie heb uiteengezet (nr. 3.9), is na de arresten Zillikens rechtspraak van Uw Raad gevolgd waaruit is afgeleid dat er voor toekenning van wederbeleggingskosten in de praktijk nauwelijks ruimte overblijft. In het onderdeel betreedt de Gemeente dit strijdperk met de klacht dat de rechtbank van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan waar zij een vergoeding voor kosten van aankoop van vervangend onroerend goed toekende zonder te hebben vastgesteld dat aan de bedoelde vereisten (a) en (b) is voldaan.
onderdeel caanwijst, betoogd en beargumenteerd dat Vabeog het onteigende niet als duurzame belegging aanhield [49] en zich daarbij onder meer beroepen op het arrest van Uw Raad van 18 september 1996 in de zaak ’s‑Gravenhage/Metterwoon [50] , stellende dat de situatie van Vabeog goed vergelijkbaar is met die van Metterwoon, wier wisselend woningbestand erop duidde dat zij de onteigende woning niet als duurzame belegging aanhield. De klacht van het onderdeel dat de rechtbank door niet op dit betoog in te gaan een onjuiste of onvoldoende gemotiveerde beslissing heeft gegeven lijkt mij in het voetspoor van het gegronde onderdeel b eveneens gegrond.
eventueleboekwinst, zie het deskundigenrapport blz. 18, midden en in rov. 2.7.1 de woorden “In het geval sprake is van boekwinst ( … )”. Niet onbegrijpelijk lijkt mij dat de rechtbank haar oordeel dat aankoop van een vervangende onroerende zaak is aangewezen (wat daar verder van zij), mede deed steunen op het voordeel dat Vabeog dan zou kunnen genieten doordat zij eventuele boekwinst zou kunnen doorschuiven. [51]