ECLI:NL:HR:2002:AE9479
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- J.C. van Oven
- C.J.J. van Maanen
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over waardering en schadeloosstelling bij onteigening voor Hogesnelheidslijn-Zuid
De Staat der Nederlanden heeft bij de rechtbank Rotterdam onteigening gevorderd van grond van [verweerder] ten behoeve van de aanleg van de Hogesnelheidslijn-Zuid. De rechtbank sprak de onteigening vervroegd uit en stelde de schadeloosstelling vast op f 1.714.850. De Staat stelde cassatieberoep in tegen dit vonnis.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de waarde van de grond had vastgesteld op basis van de bijzondere capaciteiten en voornemens van de onteigende om de grond zelf te ontwikkelen tot bouwrijpe glastuinbouwgrond. Volgens artikel 40b, tweede lid, van de Onteigeningswet mag de waarde niet worden beïnvloed door de bijzondere capaciteiten van de onteigende.
Daarnaast vond de Hoge Raad dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd dat [verweerder] daadwerkelijk voornemens was tot zelfrealisatie over te gaan, terwijl dit een relevante factor is voor de waardebepaling. De zaak werd vernietigd en verwezen naar het gerechtshof voor nadere behandeling, waarbij ook moet worden beoordeeld of [verweerder] recht heeft op vergoeding van schade door het mislopen van de mogelijkheid tot zelfontwikkeling.
De Hoge Raad benadrukte dat vergoeding van toekomstig voordeel uit een nog niet gerealiseerde exploitatie slechts mogelijk is als aannemelijk is dat de onteigende deze exploitatie zonder onteigening daadwerkelijk zou hebben verwezenlijkt.
Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof voor nadere beoordeling van de waardering en schadeloosstelling.