Conclusie
eerste middelbevat de klacht dat het hof de bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3 en 5 in strijd met het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv telkens in essentie heeft gebaseerd op de verklaring van één getuige, te weten die van de aangeefster, zonder dat deze afdoende bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Deze andere bewijsmiddelen zijn volgens de steller van het middel alle te herleiden tot de verklaringen van de respectievelijke aangeefsters en gebaseerd op hetgeen zij aan elkaar en aan andere getuigen hebben verteld.