Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Slotsom
4.Beslissing
18 maart 2014.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Den Haag. De Hoge Raad onderzocht of het hof het voorschrift van art. 51 Sv Pro, dat betrekking heeft op de aanwezigheid van een raadsman bij de terechtzitting in hoger beroep, heeft nageleefd.
Uit de processtukken bleek dat de verdachte tijdig hoger beroep had ingesteld en dat er een advocaat was aangewezen die namens hem optrad. Echter, bij de zittingen in hoger beroep verschenen noch de verdachte noch een raadsman. Het hof oordeelde dat het voorschrift van art. 51 Sv Pro niet van toepassing was, omdat niet kon worden vastgesteld dat de verdachte zich van rechtsbijstand had voorzien.
De Hoge Raad herhaalde de relevante jurisprudentie en stelde vast dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had of zijn oordeel niet begrijpelijk had gemotiveerd. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting en afdoening op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting in hoger beroep.