ECLI:NL:HR:2003:AF1937
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt cassatieberoep wegens niet-naleving art. 51 Sv in hoger beroep
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin hij in hoger beroep ter zake van verduistering tot drie maanden gevangenisstraf werd veroordeeld. Het hof vernietigde een eerder bij verstek gewezen vonnis van de politierechter en wees tevens de vordering van de benadeelde partij toe.
Het cassatiemiddel betrof de schending van art. 51 van Pro het Wetboek van Strafvordering, omdat de raadsman van verdachte geen afschrift van de oproeping voor de terechtzitting van 18 juli 2001 had ontvangen. De Hoge Raad onderzocht de procesgang en constateerde dat de oproeping aan de griffier was uitgereikt omdat de woon- of verblijfplaats van verdachte niet bekend was, en dat de oproeping ook naar een adres in Nigeria was verzonden.
De Hoge Raad oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond dat de raadsman van verdachte formeel als zodanig was aangemeld bij het hof, mede omdat een ontvangstbevestiging van een faxbericht ontbrak. Ook was de brief van de advocaat van de benadeelde partij onvoldoende om aan te nemen dat de raadsman van verdachte was aangemeld. Hierdoor faalde het middel en werd het beroep verworpen.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de bestreden uitspraak en vernietigde deze niet ambtshalve. De veroordeling tot drie maanden gevangenisstraf en de toegewezen vordering van de benadeelde partij blijven in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot drie maanden gevangenisstraf blijft in stand.