Conclusie
1.Inleiding, feiten en procesverloop
International Court of Arbitrationvan de Internationale Kamer van Koophandel (ICC) in Parijs.
Partial Final Award, PFA1) in die procedure, gewezen op 13 juli 1995, gaat in op het toepasselijke recht. Het tweede PFA (PFA2), gewezen op 4 mei 1998, behandelt (onder meer) de vraag of de wederzijdse claims
time-barredzijn omdat de toepasselijke
limitationperiode is verstreken. In het derde PFA d.d. 8 februari 1999 worden punten omtrent de aansprakelijkheid beslecht. Hierna hebben partijen met hulp van de
Reporting Accountantstevergeefs getracht een minnelijke regeling te treffen. Na verder debat heeft het scheidsgerecht in PFA4 d.d. 31 maart 2008 zich uitgesproken over de resterende geschilpunten, in het bijzonder de hoogte van de over en weer verschuldigde bedragen (de Quantum fase), met uitzondering van de proceskosten en de vertragingsrente. Op 3 november 2008 is een addendum gevolgd ten aanzien van PFA4. Partijen zijn het erover eens dat dat Addendum deel uitmaakt van PFA4. In het vijfde arbitrale vonnis (
Final Award, FA), gewezen op 29 december 2009, hebben arbiters op de vorderingen tot betaling van rente en kosten beslist.
verjaring/verval
non-extinctive limitation periodvan art. 10 van Pro de UNIDROIT Principles 2004.
as to any period of limitation” waardoor vorderingen
time-barredzouden worden. Volgens BAe diende die leemte te worden opgevuld en één van haar stellingen was, dat uit rechtsvergelijkend onderzoek naar de rechtsstelsels van 119 landen bleek, dat in de overgrote meerderheid van de gevallen een algemeen aanvaarde verjaringstermijn bestond van minimaal drie en maximaal tien jaar (zie § 106 PFA2).
115. It is common ground that the UNIDROIT Principles do not deal with limitation periods and, therefore, the Tribunal had to determine whether there are general legal rules enjoying a wide international consensus that contain the principle that an action is time barred after a fixed period of time has lapsed.
that the Claimant ‘s claims are not time barred.”
The general limitation period is three years (...). In any event, the maximum limitation period is ten years (...)” Art. 10.9 bepaalt: “
The expiration of the limitation period does not extinguish the right.”
has made no finding as to whether the claimant‘s claims are time barred by reason of a limitation period which is non-extinctive. Accordingly, the tribunal had not yet fully complied its mandate (...) It must now consider (...) whether the UNIDROIT Principles provide for a fixed limitation period which, whilst not extinctive of the right, nevertheless gives the defendant a defence within the provisions of the Terms of Reference.” (zie § 71 BAe’s Skeleton Argument for the Quantum Hearing on 16-27 January 2006).
the limitation concept (...) is a matter of procedural law”, dat de ICC-Rules “
clearly provide for the finality” van vonnissen en dat ook de Nederlandse wet de res judicata, het gezag van gewijsde, kent. Het scheidsgerecht merkt vervolgens op dat geen van de partijen “
appears to object to the finality of the Tribunal’s determination of Issue 4. What they are seeking under Issue 55 is in fact the clarification or the interpretation of the Tribunal’s finding under issue 4, namely what did the Tribunal intend when it rejected the Respondent’s submission that Claimant’s claims were time-barred on the basis of a fixed limitation period. Did it in fact intend a time-bar with extinctive effect or a time-bar of non-extinctive effect? This is perfectly clear from the arguments quoted above from Respondent’s written submission and Counsel ‘s presentation at the Quantum hearing.”In § 176 stelt het scheidsgerecht voorop dat het zich bewust is van de “
finality of its previous finding” en dat het zonder het issue te heropenen de volgende verduidelijking geeft. Het scheidsgerecht roept overwegingen betreffende het begrip
time-barreduit PFA2 in herinnering en overweegt dat geen van die overwegingen “
was made subject to any addition or restriction. In other words, the term “time-bar” throughout the Tribunal’s finding was used in an absolute sense, without qualification or a particular specificity attached to it.” Het scheidsgerecht concludeert vervolgens (§ 177) dat “
(…) it has already exercised its jurisdiction in respect of the determination of the issues whether any claim or counterclaim asserted in the present arbitration is time-barred for reason of limitation.”
non-extinctive period) of het beroep op verval (
extinctive period) heeft verworpen. Vervolgens heeft het scheidsgerecht geoordeeld, dat het in PFA2 zowel het beroep op verjaring als het beroep op verval heeft verworpen. Het scheidsgerecht is dus ingegaan op hetgeen aan zijn oordeel werd onderworpen en de motivering is niet zo onbegrijpelijk of gebrekkig dat zij gelijk moet worden gesteld aan een ontbrekende motivering. Van tegenstrijdigheid tussen PFA2 en PFA 4 in dit opzicht is geen sprake. Het begrip “
limitation” kan kennelijk in de Angelsaksische context zowel verjaring
(non-extinctive) als verval (
extinctive) van rechten inhouden. In § 117 van PFA2 heeft het scheidsgerecht de stelling van BAe dat de vorderingen op grond van “
any” (dus zowel
extinctiveals
non-extinctive) limitation period time-barredwaren, verworpen. Dat laatste herhaalt het scheidsgerecht in de laatste zin van § 176 van PFA4, zonder het issue 4 te heropenen. Een inhoudelijk oordeel over de verjaring (en de door BAe opgeworpen stelling betreffende de toepasselijkheid van de UNIDROIT Principles van 2004) was immers niet meer mogelijk vanwege het aan die beslissing op dat issue toegekende gezag van gewijsde.
2.Inleidende opmerkingen over het middel
extinctive period) is beslist, maar ook op het beroep op verjaring (
non-extinctive period). [4]
3.Gezag van gewijsde of bindende eindbeslissing?
final awarden
res judicata.
volgens de ICC Rules(en volgens Nederlands recht, waarover later meer) niet noodzakelijk is dat in het dictum aan enig deel van het geschil – waarmee is bedoeld, naar ik begrijp: het gevorderde − tussen partijen een einde wordt gemaakt. In de s.t. van mr. Scheltema nr. 2.4.6 wordt voorts betoogd dat de ICC Rules niet toelaten dat op een bindende eindbeslissing wordt teruggekomen
naar Nederlands rechtniet (steeds) noodzakelijk is dat ook aan enig deel van het geschil c.q. gevorderde tussen partijen een einde wordt gemaakt. Nu ziet het daarvoor in de s.t. aangedragen argument mijns inziens op de vraag aan welke beslissingen gezag van gewijsde toekomt (zie bij 3.9.2). Zoals bleek, kan wel worden aangenomen dat beslissingen in een zuiver tussenvonnis uiteindelijk gezag van gewijsde toekomt, maar dan pas met het onherroepelijk worden van het (gedeeltelijk) eindvonnis dat op die beslissingen steunt (zie bij 3.9.3). Dat neemt niet weg dat de opgeworpen vraag, of gezag van gewijsde toekomt aan beslissingen in arbitrale tussenvonnissen reeds voordat er een onherroepelijk (gedeeltelijk) eindvonnis is, nader bezien moet worden.
res iudicata pro veritate accipiturof
res iudicata ius facit inter partes, [35] ook voor zover de beslissing achteraf bezien inhoudelijk onjuist zou zijn. Dan komt ook het gezag van gewijsde aan de orde.
Tertium datur, zo bleek bij 3.9.3-3.9.4: (iii) dragende eindbeslissingen in een gedeeltelijk arbitraal eindvonnis (respectievelijk in een daaraan voorafgaand arbitraal ‘zuiver’ tussenvonnis) kunnen tijdens het verdere verloop van de arbitrale procedure hun status van bindende eindbeslissing verliezen en verkeren in beslissingen met gezag van gewijsde; en wel wanneer het gedeeltelijk eindvonnis kracht van gewijsde krijgt, dat wil zeggen, wanneer geen arbitraal appel open staat, vanaf het moment dat het gedeeltelijke eindvonnis is gewezen.
ander gedingtussen, kort gezegd, dezelfde partijen. Ook art. 1059 (nieuw) Rv doet dat. Daarentegen bepaalt art. 1059, in de versie die tot 1 januari 2015 gold, niet met zoveel woorden dat het gezag van gewijsde ziet op een ander geding. Dat bood in ieder geval tekstueel de mogelijkheid om op een wat ‘vrijere’ wijze te spreken over het gezag van gewijsde van arbitrale vonnissen.
ander geding. Dit argument is naar mijn mening voor de beoordeling van het middel niet van belang.
4.Schending van de opdracht?
. [53] Voorts dient, waar mogelijk, de gestelde schending van de opdracht al in de arbitrale procedure aan de orde te zijn gesteld.
5.Nadere bespreking van het middel
onderdeel 1wordt geklaagd dat het hof met de in rov. 15 gevolgde redenering zijn taak als vernietigingsrechter heeft miskend, althans tekort is geschoten in zijn motiveringsplicht. De vernietigingsgrond dat het scheidsgerecht zijn opdracht heeft geschonden door in PFA4 niet terug te komen op zijn verwerping van het beroep op verjaring/verval in PFA2, kan volgens het onderdeel niet worden omzeild met een rechterlijk oordeel dat is gebaseerd op het juist door deze vernietigingsgrond bestreden gezag van gewijsde. Als de vernietigingsgrond slaagt, ontvalt daarmee de grond aan het bestreden oordeel van het scheidsgerecht.
onderdeel 2vergeefs over innerlijke tegenstrijdigheid in rov. 15. Het hof gaat veronderstellenderwijs uit van het betoog van BAe dat het scheidsgerecht op zijn bindende eindbeslissing omtrent de verjaring in PFA2 had moeten terugkomen omdat het een inhoudelijk onjuist oordeel is. Het hof geeft aan waarom dat betoog niet tot vernietiging wegens schending van de opdracht kan leiden. Die reden is, kort gezegd, dat het te beslissen Issue 55 slechts inhield of het scheidsgerecht in PFA2 ook over de verjaring een oordeel had gegeven. Het hield dus niet in of het scheidsgerecht daarop eventueel diende terug te komen.
onderdeel 3miskent het hof dat het leerstuk van gezag van gewijsde wel procedureel van aard is, zodat het oordeel van het scheidsgerecht dat zijn eerdere beslissing gezag van gewijsde heeft, wel degelijk met een klacht over schending van de opdracht ter toetsing aan de overheidsrechter kan worden voorgelegd. Volgens het onderdeel geldt dat temeer omdat BAe heeft betoogd dat aan de beslissing in PFA2 geen gezag van gewijsde toekomt, maar dat hooguit sprake is van een bindende eindbeslissing waarop het hof had moeten terugkomen.