Conclusie
tweede middelbevat de klacht dat het hof op het uitdrukkelijk voorgedragen verweer dat de dagvaarding ten aanzien van het tweede ten laste gelegde feit gedeeltelijk nietig behoort te worden verklaard niet conform art. 358 lid 3 Sv Pro en art. 359 lid 2 Sv Pro uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft beslist.
derdetot en met
zevende middelbevatten bewijsklachten. Voordat ik deze bespreek, geef ik eerst de bewezenverklaring en de daarvoor door het hof gebezigde bewijsmiddelen weer.
derdemiddel stelt aan de orde dat het hof niet zou hebben gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat niet bewezen kan worden dat verzoeker in de Ubicapanden is aangehouden. In de pleitnota in hoger beroep, onder punt 26 is met de hand bijgeschreven dat verwezen wordt naar “Prg. 29033 inzake [medeverdachte] dient hier als ingelast te worden beschouwd. Zie bijlage: pleitnota [medeverdachte]”. Het in deze laatste pleitnota aangevoerde komt erop neer dat uit het voor het bewijs gebruikte proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 10] (het door het hof gebezigde bewijsmiddel 18) niet blijkt dat zij de door haar gerelateerde waarnemingen zelf heeft gedaan en dat uit de overige processen-verbaal niet blijkt wie de negen personen zijn die in het pand zijn aangehouden.
vijfde middelbevat de klacht dat het hof heeft nagelaten met een voldoende mate van nauwkeurigheid aan te geven aan welk wettig bewijsmiddel het de volgende in zijn bewijsoverweging vermelde omstandigheden heeft ontleend:
zevende middelwordt geklaagd dat de openlijke geweldpleging tegen het Stadhuis Utrecht, met name de vernieling van de ruit, niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. Uit de toelichting op het middel blijkt dat er kennelijk met name op wordt gedoeld dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid
wiede gevel van het stadhuis heeft beklad en de ruit heeft vernield. Dit onderdeel zal ik verder bespreken samen met het vierde en zesde middel. Dat het Stadhuis Utrecht is beklad en de ruit is vernield tijdens de ontruiming van het Ubicapand blijkt uit het door het hof gebezigde bewijsmiddel 5, 13 en 14, zodat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist en faalt.
vierdeen
zesdeen
zevende middelwordt in essentie betoogd dat uit geen enkel bewijsmiddel rechtstreeks zou kunnen worden opgemaakt dat verdachte aan de geweldpleging zoals omschreven in de tenlastelegging heeft deelgenomen of daarbij enige rol heeft gespeeld. Aangevoerd wordt dat de enkele omstandigheid dat verdachte deel uitmaakte van een groep van waaruit geweld werd gepleegd, niet voldoende is voor het aannemen van een significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld zoals de Hoge Raad in zijn jurisprudentie vereist en dat ook het zich niet distantiëren op zichzelf niet genoeg is voor een bewezenverklaring van deelname aan de openlijke geweldpleging. [9]
achtste middelbehelst twee klachten. Ten eerste dat het hof ten onrechte de verzoeken om het horen van de getuigen [betrokkene 5], [betrokkene 6], [betrokkene 7] en [betrokkene 8] heeft afgewezen en ten tweede dat het hof ten onrechte de door de verdediging betwiste vordering van de benadeelde partij Politie Utrecht heeft toegewezen.
negende middelis gericht tegen de afwijzing van het verzoek om de getuigen [betrokkene 9] en [betrokkene 10] te horen en de ontoereikende motivering van het hof van de verwerping van het verweer dat [betrokkene 9] niet bevoegd is om de gemeente Utrecht als benadeelde partij te vertegenwoordigen. [13]
- een Schadeopgaveformulier Misdrijven, gedateerd op 3 juni 2013 van de Gemeente Utrecht, ingediend en ondertekend door [betrokkene 9], geboren op [geboortedatum] 1961. Het bedrag van de gevorderde schade is € 24.329,00;
- aan dit schadeopgaveformulier is een verklaring gehecht van de directeur van de dienst Stadswerken van de gemeente Utrecht waaruit blijkt dat de medewerker Schadeverhaal van de afdeling Stedelijk Beheer gemandateerd is om aangifte te doen bij de politie wegens vernieling van gemeente-eigendom in de openbare ruimte en “voegen” in strafzaken als bedoeld in art. 51 Sv Pro, met onderaan een kopie van de identiteitskaart van [betrokkene 9];
- voorts blijkt uit een brief d.d 3 juni 2013 gericht aan de Politie Utrecht, dat de aangifte bij de politie, gedaan door [betrokkene 4], medewerker afdeling Facilitair & Huisvesting geacht moet te zijn gedaan namens de Burgemeester en wethouders van Utrecht. Deze brief is ondertekend door [betrokkene 9], Medewerker Schadeverhaal;
- verder is een schadebegroting toegevoegd ter onderbouwing van de schade van € 24.329,00;
- op het wensenformulier, gedateerd 3 september 2013 is namens de Gemeente Utrecht, de burgemeester A. Wolfsen het verzoek tot schadevergoeding bij de procedure in hoger beroep gehandhaafd. Dit formulier is namens de burgemeester in opdracht getekend door [betrokkene 11].
tiende middeldat de klacht inhoudt dat de vordering van de Gemeente Utrecht gelet op het hiertegen gevoerde verweer, door het hof zonder toereikende motivering gedeeltelijk is toegewezen, omdat de schadeposten betrekking hebben op ontruimingskosten en het hof deze ten onrechte als ‘rechtstreekse schade’ heeft aangemerkt.