Uitspraak
€ 492.000,-.
.Voor betrokkene was door de tegen de zitting van 6 oktober 2006 aanhangig gemaakte inleidende ontnemingsvordering op die datum immers kenbaar dat tegen hem een ontnemingsprocedure werd begonnen, na welke datum hem nimmer andersluidende berichtgeving heeft bereikt inhoudende dat het Openbaar Ministerie deze ontnemingsprocedure zou beëindigen/had beëindigd. De door de verdediging gepresenteerde uitleg van art. 511b lid 1 van het Wetboek van Strafvordering is onverenigbaar met de hiervoor omschreven aard en strekking van dit artikellid en vindt ook voor het overige geen steun in het recht.
1.bankrekening [Bankrekening 1] agence [bank 1]
2.bankrekening [bankrekening 2] agence [bank 2]
3.bankrekening [bankrekening 3] agence [bank 3]
een bedrag van € 175.451,- in mindering brengenin verband met de vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
1.bankrekening [Bankrekening 1]
2.bankrekening [bankrekening 2]
een bedrag van € 9.187,38 (afgerond € 9.188,-) in mindering brengenin het kader van de vaststelling van de omvang van wederrechtelijk verkregen voordeel.
€ 394.184,00.
(€ € 394.184,- -/- € 98.546,- =)
€ 295.638,-.
394.184, (driehonderdvierennegentig duizend éénhonderdvierentachtig euro);
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 295.638,- (tweehonderdvijfennegentigduizend zeshonderdachtendertig euro).
drie jaren.