Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
2 april 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit witwassen centraal. De betrokkene werd in hoger beroep veroordeeld tot het betalen van een bedrag van €16.417,15, gebaseerd op contante betalingen en stortingen die onderdeel waren van het bewezenverklaarde witwassen.
Het hof had vastgesteld dat de betrokkene gedurende de periode van december 2010 tot februari 2013 onder meer een auto contant had betaald, contante stortingen had gedaan en contant geld had uitgegeven aan autohuur. Het hof achtte het bewezen dat het totaal van €16.417,15 witwasgeld was. Tegelijkertijd erkende het hof dat een deel van de contante betalingen afkomstig was van legitieme bronnen, zoals een loterijwinst en een schenking van ouders.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte aannam dat het bedrag van €16.417,15 als wederrechtelijk verkregen voordeel kon worden aangemerkt zonder nadere motivering. Volgens vaste jurisprudentie vormt het enkel het feit dat bedragen onderdeel zijn van witwassen niet automatisch het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het ontbreken van een duidelijke motivering maakt het oordeel van het hof onbegrijpelijk.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het hofarrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. De overige middelen werden niet behandeld vanwege de vernietiging en terugwijzing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest wegens onvoldoende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.