Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
mr. N.M. Smits en van de gemachtigd raadsvrouw van de verdachte, mr. B. Molleman naar voren heeft gebracht.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde op 13 maart 2014 een strafzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van valsheid in geschrifte en het bezit van een stroomstootwapen. Verdachte werd in februari 2008 aangehouden en in bewaring gesteld. De zaak kende een langdurige procedurele vertraging, waarbij het dossier vermoedelijk al in juli of augustus 2008 compleet was, maar sindsdien geen vervolgstappen meer zijn gezet door het Openbaar Ministerie.
De rechtbank constateerde dat de redelijke termijn van berechting, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, met ruim vijf jaar was overschreden. Hoewel de jurisprudentie van de Hoge Raad doorgaans strafvermindering voorschrijft bij termijnoverschrijding, oordeelde de rechtbank dat in deze zaak de belangen van verdachte bij beëindiging van de strafvervolging zwaarder wegen dan de belangen van de samenleving bij normhandhaving.
De officier van justitie werd daarom niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte. Dit oordeel werd gesteund door het feit dat verdachte en zijn raadsman het proces niet onnodig hadden vertraagd en dat er geen benadeelde partijen in het strafproces waren. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.