AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging naheffingsaanslag bpm ondanks essentiële gebreken en wetswijzigingen
Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag bpm ontvangen van €6.030 wegens een Seat Tarraco met essentiële gebreken, waaronder uitgeklapte airbags. De Inspecteur handhaafde de aanslag na bezwaar, waarna belanghebbende beroep instelde bij de Rechtbank Den Haag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
In hoger beroep bevestigt het Gerechtshof Den Haag het oordeel van de rechtbank. Het hof stelt vast dat de uitgeklapte airbags een essentieel gebrek vormen waardoor de taxatiemethode voor waardebepaling niet toepasbaar is. De heffing van bpm is niet in strijd met het Unierecht of het arrest Hansen & Balle. Ook de afschaffing van de extra leeftijdskorting per 1 januari 2022 levert geen discriminatie op.
Verder oordeelt het hof dat de datum van ontvangst van het bezwaarschrift bepalend is voor de redelijke termijn, niet de verzenddatum per e-mail. Het griffierecht is niet onrechtmatig en er is geen recht op immateriële schadevergoeding. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de naheffingsaanslag bpm en wijst het hoger beroep en schadevergoeding af.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/958
Uitspraak van 24 december 2025
in het geding tussen:
[X] VOF te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 oktober 2024, nummer SGR 23/6325.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 6.030 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
- wijst het verzoek om een schadevergoeding af.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 559 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend. Op 18 november 2025 heeft belanghebbende een pleitnotitie gedeeld met het Hof. De Inspecteur heeft kennisgenomen van deze pleitnotitie.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 november 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft op 12 juli 2022 op aangifte een bedrag van € 4.117 aan bpm voldaan ter zake van de inschrijving van een Seat Tarraco 2.0 TSI 4DRIVE Xcellence (de auto). De datum eerste toelating van de auto is 7 oktober 2020. De inschrijving in het kentekenregister heeft plaatsgevonden op 29 juni 2022.
2.2.
Belanghebbende heeft de volgens aangifte verschuldigde bpm berekend aan de hand van een taxatierapport van [A B.V.] (het taxatierapport). Daarbij is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 201 gram per kilometer. De reparatiekosten voor door de taxateur geconstateerde schade zijn begroot op € 15.630 (inclusief omzetbelasting) en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is bepaald op € 11.990.
2.3.
De Inspecteur heeft de auto geselecteerd voor controle door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft essentiële gebreken aan de auto geconstateerd. DRZ heeft de handelsinkoopwaarde van de auto aan de hand van de koerslijst van AutotelexPro per 6 juli 2022 bepaald op € 32.215.
2.4.
De naheffingsaanslag bedraagt € 6.030. Bij het vaststellen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 32.215 en een afschrijvingspercentage van 48,96%.
2.5.
De auto is tenaamgesteld op 22 april 2023.
2.6.
Gedurende de bezwaarfase heeft geen hoorgesprek plaatsgevonden.
2.7.
Bij de naheffingsaanslag is geen belastingrente in rekening gebracht.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“ Beoordeling van het geschil
Vooraf
10. De beroepsgronden van eiseres berusten voor een groot deel op de opvatting dat door de Hoge Raad gegeven rechtsoordelen in strijd zijn met het Unierecht. Ze strekken verder ten betoge dat het de nationale rechter in het geheel niet is toegestaan het Unierecht uit te leggen, omdat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) daartoe exclusief bevoegd is. Waar uitlegging van het Unierecht aan de orde is, dient de nationale rechter prejudiciële vragen te stellen, aldus eiseres.
11. De rechtbank volgt eiseres niet in deze opvatting. De rechtsoordelen van de Hoge Raad hebben binnen de Nederlandse rechtsorde informele precedentwerking. Het doorbreken daarvan zou de rechtseenheid en rechtszekerheid niet ten goede komen. De rechtbank zal zich derhalve aansluiten bij de rechtspraak van de Hoge Raad over de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 en niet in elk afzonderlijk geval motiveren waarom daarvan niet wordt afweken.
12. Er bestaat geen aanleiding voor een andere benadering als het gaat om kwesties van Unierecht. De rechtbank is zich ervan bewust dat zij in het kader van haar bevoegdheid belast is met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht en derhalve zorg dient te dragen voor de volle werking van deze normen, en daarbij zo nodig moet afwijken van vaste (nationale) rechtspraak.[1] Voor dat laatste bestaat vanzelfsprekend slechts aanleiding indien het gaat om met het Unierecht onverenigbare rechtspraak. Waar eiseres met een beroep op die regel de rechtbank verzoekt af te wijken van rechtspraak van de Hoge Raad, dient de rechtbank een dergelijk beroep te beoordelen. Waar de verenigbaarheid van de regels over de heffing van bpm met het Unierecht reeds door de Hoge Raad is beoordeeld en de rechtbank zich daaraan conformeert, zal zij voor de motivering van haar oordeel evenwel volstaan met een verwijzing naar het desbetreffende arrest van de Hoge Raad.
13. De rechtbank acht zich in dit verband ook niet gehouden telkens op de voet van artikel 267 vanPro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) prejudiciële vragen voor te leggen aan het HvJ EU. Dit betreft voor haar, anders dan voor de hoogste nationale rechter, geen verplichting maar een bevoegdheid.[2] Dat ligt anders indien ter discussie staat of een handeling van een instelling van de Europese Unie geldig is.[3] Een zodanige kwestie doet zich in de onderhavige zaak evenwel niet voor. Dat het HvJ EU blijkens de door eiseres aangehaalde overwegingen uit het arrest RS[4] bij uitsluiting bevoegd is om het Unierecht bindend uit te leggen, maakt het voorgaande niet anders. Aan die overwegingen kan geen verdergaande betekenis worden toegekend dan dat het HvJ EU het enige gerecht is waarvan de beslissingen over de uitleg van het Unierecht door alle andere gerechten dienen te worden geëerbiedigd. Dat de rechtbank het Unierecht niet zou mogen uitleggen indien de zaak daarom vraagt of dat zij kwesties van Unierecht altijd zou moeten voorleggen aan het HvJ EU, volgt daaruit dus niet. De rechtbank ziet in al hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.
Hoorrecht
14. Tot de stukken van het geding behoort een op 23 november 2022 gedagtekende brief van verweerder aan de gemachtigde waarin, voor zover hier van belang, het volgende is opgenomen:
“Dinsdag 22 november 2022 stond een hoorgesprek gepland vanaf 10.00 uur. Dit gesprek zou per WebEx plaatsvinden. De uitnodiging werd aangetekend en per gewone post verzonden maar u heeft geweigerd de aangetekende versie in ontvangst te nemen. Ik heb u per mail een WebEx uitnodiging gestuurd voor dit hoorgesprek. De dossiers zijn voor inzage beschikbaar gehouden.
[namen twee medewerkers van de belastingdienst] waren om 10.00 uur ingelogd om het hoorgesprek te houden. U bleek niet aanwezig tijdens het hoorgesprek. Er is vervolgens telefonisch contact met u opgenomen op uw mobiele nummer op 10.19 uur. En op 10.20 uur met [naam medewerker van de gemachtigde]. De oproepen werden niet beantwoord.”
15. Voorafgaande aan het doen van uitspraak op bezwaar is eiseres uitgenodigd voor een hoorgesprek op 22 november 2022. Gemachtigde heeft op 22 november 2022 niet ingelogd om via WebEx deel te nemen aan het hoorgesprek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Van schending van het hoorrecht is geen sprake.
Tenaamstelling van de naheffingsaanslag
16. Bpm kan worden nageheven van degene die de belasting op aangifte had moeten voldoen. De aangifte bpm is in dit geval ingediend onder vermelding van naam en Rechtspersonen en Samenwerkingsverbanden Informatienummer (RSIN) van eiseres waarbij is aangevinkt dat indiener het kenteken voor zichzelf heeft aangevraagd. Eiseres is dan ook terecht op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet bpm als belastingplichtige voor de bpm aangemerkt, zodat de naheffingsaanslag ook terecht aan haar is opgelegd. Uit de door eiseres aangehaalde uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2017[5] kan niet iets anders worden afgeleid. Die uitspraak ziet immers op de zich hier niet voordoende situatie dat een naheffingsaanslag betrekking heeft op een maandaangifte voor meerdere auto’s en geen verband meer kan worden gelegd tussen de op die aangifte betaalde bpm en de individuele voertuigen waarop die aangifte betrekking heeft.
De naheffingsaanslag
17. De bpm wordt verschuldigd ter zake van de inschrijving van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 vanPro de Algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Nu derhalve in alle gevallen van inschrijving van voertuigen te weinig betaalde belasting kan worden nageheven, levert naheffen na het belastbare feit geen schending van artikel 110 vanPro het VWEU op.[6]
18. Eiseres stelt dat de bpm in strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse voertuigen, aangifte en betaling van de belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit zich heeft voorgedaan. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2022[7] is deze stelling onjuist.
19. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Het recht van de Unie schrijft niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende zijn zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken.[8] Verweerder heeft eiseres bij brief van 19 oktober 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiseres de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd.
20. Ingeval aangifte wordt gedaan voor een auto met essentiële gebreken, kan op grond van artikel 10, achtste lid, aanhef en letter b, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2022; de Wet bpm) voor de berekening van de vermindering niet worden gebruikgemaakt van de taxatiemethode.
21. Blijkens de foto’s van het taxatierapport waren de airbags van de auto ten tijde van de taxatie
uitgeklapt, waardoor met de auto op dat moment niet mocht worden gereden op de weg. Op het moment van de schouw door DRZ waren deze essentiële gebreken nog niet hersteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast. Dit brengt mee dat de afschrijving van de auto moet worden bepaald aan de hand van een algemeen geaccepteerde koerslijst of aan de hand van de forfaitaire tabel. Dat de RDW de essentiële gebreken mogelijk niet heeft onderkend, maakt het voorgaande niet anders. Een regeling als de onderwerpelijke komt ook niet in strijd met Unierecht.[9]
22. Nu de afschrijving moet worden bepaald aan de hand van koerslijst of forfaitaire tabel behoeft hetgeen eiseres heeft aangevoerd over DRZ en de hoogte van de waardevermindering wegens schade geen behandeling.
23. Op grond van artikel 1, tweede lid, gelezen in verbinding met artikel 2, onderdeel b, van de Wet bpm is de belasting verschuldigd ter zake van de inschrijving van een personenauto in het kentekenregister als bedoeld in artikel 47 vanPro de Wegenverkeerswet 1994. In artikel 47 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 is opgenomen dat een motorrijtuig dient te zijn ingeschreven in het kentekenregister en dient te zijn tenaamgesteld. Inschrijving in het kentekenregister en tenaamstelling hoeven dan ook niet gelijktijdig plaats te vinden. Het “nog nog nog meer subsidiaire standpunt” van eiseres dat wat betreft de handelsinkoopwaarde moet worden aangesloten bij de koerslijstwaarde op de datum van de tenaamstelling, is dan ook onjuist. Ook het “nog nog nog nog meer subsidiaire standpunt” dat bij de afschrijving op basis van de forfaitaire tabel moet worden aangesloten bij de datum van de tenaamstelling kan niet slagen.
24. Dat artikel 1, tweede lid, van de Wet bpm, gewijzigd is in dier voege dat thans wordt aangesloten bij de inschrijving in het kentekenregister in plaats van de registratie (en dus de tenaamstelling), pakt weliswaar onvoordelig uit in gevallen als het onderhavige, maar dat maakt niet dat artikel 110 vanPro het VWEU is geschonden. Die bepaling brengt mee dat de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikte personenauto niet hoger mag zijn dan het restbedrag aan bpm dat is vervat in de waarde van een gelijksoortige, gebruikte personenauto die al in het binnenland is geregistreerd. Daarom moet de als belastbare grondslag gehanteerde waarde van het ingevoerde tweedehands voertuig een weergave zijn van de waarde van een vergelijkbaar voertuig dat al op het nationale grondgebied is geregistreerd. Om dat te bereiken moet bij de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikte personenauto een reële waardedaling in aanmerking worden genomen, dan wel moet een waarde worden geschat die de werkelijke waarde zeer sterk benadert.[10] De wetswijziging wijst een nieuw belastbaar feit aan dat plaatsheeft op een eerder moment dan het oude, waardoor een lagere vermindering van bpm wordt verleend. Dat leidt evenwel niet tot een inbreuk op de hiervoor geformuleerde uitgangspunten, omdat de waarde van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die al in het binnenland waren geregistreerd op het tijdstip van het nieuwe belastbare feit als gevolg van een lagere leeftijd ook minder zal zijn gedaald dan op het tijdstip van het oude belastbare feit. Dat betekent dat verweerder terecht de vermindering heeft bepaald met inachtneming van het waardeverloop van de auto tot het moment van de inschrijving in het kentekenregister, en niet tot het latere moment van de tenaamstelling.
25. Eiseres heeft in zijn algemeenheid gesteld dat er wellicht reden is voor toepassing van (extra) leeftijdskorting. De bewijslast voor belastingverlagende omstandigheden rust op eiseres.[11] Uit het door eiseres aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2020 kan niet iets anders worden afgeleid.[12] Die bewijsregel geldt ook indien de bpm wordt nageheven door middel van een naheffingsaanslag. Eiseres heeft echter, tegenover de weerspreking door verweerder, geen berekeningen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat in aanvulling op de vermindering aan de hand van de forfaitaire tabel leeftijdskorting moet worden toegepast. Ook anderszins is dit de rechtbank niet gebleken. Hetzelfde geldt voor een aanvullende vermindering in verband met een lager tussenliggend tarief. In het beroepschrift is weliswaar een kopje “Leeftijdskorting/bewijslastverdeling/lager tussenliggend tarief” opgenomen, maar enige concretisering van deze onderwerpen ontbreekt.
26. Omdat van een ambtshalve teruggaaf op grond van artikel 16a van de Wet bpm geen sprake is geweest, behoeft de stelling van eiseres dienaangaande geen behandeling.
27. Eiseres heeft in haar aangifte opgenomen dat de CO2-uitstoot van de auto 201 gram per kilometer bedraagt. Dat van een lagere uitstoot moet worden uitgegaan volgt uit niets.
28. Eiseres heeft gesteld dat als gevolg van de overgang van de NEDC1-meetmethode naar de WLTP/NEDC2-meetmethode voor te importeren voertuigen met een datum eerste toelating tussen 1 september 2017 en 1 juli 2020 structureel teveel belasting wordt geheven, omdat veel buitenlandse kentekenregisters al vanaf die datum uitgaan van de WLTP/NEDC2-methode voor het vaststellen van de CO2-uitstoot. Deze meetmethode leidt volgens onderzoeken van KPMG en TNO tot een hogere CO2-uitstoot dan de oude NEDC1-meetmethode en daarmee tot een hogere heffing van bpm. Volgens eiseres kan deze discriminatie eenvoudig worden opgeheven door de op basis van de WLTP/NEDC2-methode vastgestelde CO2-uitstoot te verminderen met 7,3 gram (het gemiddelde verschil tussen NEDC1- en NEDC2-uitslagen zoals vastgesteld door KPMG). Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.
29. De door eiseres beschreven mogelijkheid van discriminatie is door de Hoge Raad beoordeeld. In dat verband is – kort gezegd en voor zover hier van belang – overwogen dat het gebruik van en de overgang tussen twee verschillende meetmethodes voor de vaststelling van de CO2-uitstoot op zichzelf genomen kan leiden tot strijd met artikel 110 vanPro het VWEU. Een belastingplichtige die zich daarop beroept moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.[13] Eiseres heeft evenwel niet eens gesteld dat in haar geval aan deze voorwaarden is voldaan.
30. Eiseres verwijst verder naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 maart 2022[14] en stelt dat zij gelet op die uitspraak voor de auto mag uitgaan van een CO2-uitstoot berekend volgens de Scandinavische rekenmethode waarbij mag worden uitgegaan van de laagste CO2-uitstoot. Deze stelling berust op een onjuiste uitleg van de uitspraak van het Hof. Uit die uitspraak volgt niet, zoals eiseres kennelijk meent, dat een belastingplichtige bij de berekening van de bpm zelf de keuze heeft tussen verschillende rekenmethodes voor het vaststellen van de CO2-uitstoot. De uitspraak had betrekking op een geval waarin ten processe was komen vast te staan dat soortgelijke personenauto’s als de importauto (van hetzelfde merk, type, uitvoering, productiejaar en datum eerste toelating) over een Europese typegoedkeuring beschikten waarop een bepaalde CO2-uitstoot was vermeld, maar niettemin voor een lagere, op basis van de zogenoemde Scandinavische methode berekende CO2-uitstoot in het Nederlandse kentekenregister waren geregistreerd en op die voet in de heffing van bpm waren betrokken. Die situatie doet zich in deze zaak niet voor.
31. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de naheffingsaanslag terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.
Overschrijding redelijke termijn
32. Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 5 oktober 2022 en de uitspraak van de rechtbank is op 4 oktober 2024 gedaan. De redelijke termijn is derhalve niet overschreden. De rechtbank wijst het verzoek van eiseres om vergoeding van immateriële schade af.
Hoogte en verschuldigdheid van griffierecht
33. Eiseres heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 vanPro het EVRM en artikel 47 vanPro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering voor de toegang tot de rechter vormt.[15] In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang.[16] Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.[17] Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 vanPro het Handvest, is om dezelfde redenen evenmin sprake.[18] Eiseres heeft de voor het beroep verschuldigde griffierecht voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.
Proceskosten
34. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, aangezien het beroep ongegrond is.
(…)
[1] Zie bijvoorbeeld HvJ EU 11 januari 2024, C-537/22, Global Ink Trade, ECLI:EU:C:2024:6, punten 23 en 25.
[2] Zoals reeds volgt uit de tekst van artikel 267 vanPro het VWEU. Vgl. ook HvJ EU 6 oktober 2021, C561/19, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 28, 32, 37 en 55.
[3] HvJ EU 22 oktober 1987, C-314/85, Foto-Frost, ECLI:EU:C:1987:452, punten 12-20; vgl. recenter bijvoorbeeld ook het door [belanghebbende] aangehaalde arrest HvJ EU 10 januari 2006, C-344/04, IATA, ECLI:EU:C:2006:10, punt 27.
[4] HvJ EU 22 februari 2022, C-430/21, RS, ECLI:EU:C:2022:99, punten 52 en 72.
[15] Vgl. EHRM 20 december 2007, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803 en zie ook HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579.
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In hoger beroep zijn in geschil diverse Unierechtelijke vraagstukken en of het juiste bedrag aan bpm is nageheven. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerende effect van het griffierecht en dat ten onrechte geen schadevergoeding is toegekend. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop zij recht heeft.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om een integrale, althans een veel hogere proceskostenvergoeding, alsmede om vergoeding van het griffierecht en om een passende rentevergoeding.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
5.1.
Het Hof verenigt zich op alle punten die in beroep zijn beoordeeld en die in hoger beroep opnieuw zijn aangevoerd met de uitspraak van de Rechtbank, en maakt de gronden en de beslissingen van de Rechtbank tot de zijne. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) ziet het Hof geen aanleiding. Voor zover nodig gaat het Hof hierna in op de in hoger beroep aangedragen standpunten en argumenten.
Essentiële gebreken
5.2.1.
Belanghebbende stelt dat de Inspecteur geen rekening had mogen houden met essentiële gebreken. Het is echter een feit dat het taxatierapport van belanghebbende foto’s bevat van de auto met geactiveerde (uitgeklapte) airbags en dat de auto bij DRZ is getoond met geactiveerde airbags.
5.2.2.
Artikel 7.1, onderdeel 8, van de Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen) vermeldt, voor zover hier van belang: “Op plaatsen waar is aangegeven dat zich een airbag bevindt, moet een niet geactiveerde airbag aanwezig zijn.” Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat sprake was van essentiële gebreken aan de auto ten tijde van de inschrijving in het kentekenregister. De Inspecteur en de DRZ hebben de geactiveerde airbags terecht als essentiële gebreken aangemerkt. Nu sprake was van geactiveerde airbags, was de auto niet geschikt om te worden toegelaten op de weg en mocht belanghebbende de auto ook niet gebruiken voordat de essentiële gebreken waren hersteld. De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de taxatiemethode niet kan worden toegepast ter bepaling van de waardevermindering van de auto. Aan dit oordeel doet niet af dat de RDW de auto heeft goedgekeurd en dat mogelijk met de auto is gereden.
Controle van de auto
5.3.
Belanghebbende doet een beroep op het arrest van het HvJ EU van 10 oktober 1978, Hansen & Balle, ECLI:EU:C:1978:173. Uit dit arrest zou volgen dat een belastingcontrole van uit andere lidstaten afkomstige voertuigen, terwijl in het binnenland rondrijdende voertuigen hiervan zijn vrijgesteld, niet is toegestaan. Het Hof verwerpt dit beroep. Het HvJ EU heeft in diverse, recentere, arresten geoordeeld dat een lidstaat belasting mag heffen over gebruikte voertuigen die uit andere lidstaten worden ingevoerd en duurzaam binnen de lidstaat worden gebruikt (HvJ EU 19 december 2013, X, C 437/12, EU:C:2013:857, punt 35, en het door belanghebbende aangehaalde arrest HvJ EU 16 november 2023, NM, ECLI:EU:C:2023:888). Het belastbare feit mag niet de grensoverschrijding zijn en de heffing mag niet gepaard gaan met controles aan de grens, maar daarvan is bij de heffing van bpm – alsmede in het onderhavige geval – geen sprake. Het is de Inspecteur toegestaan om de benodigde controles uit te voeren om toezicht te kunnen houden op de juiste heffing van de bpm, die geen door het Unierecht verboden heffing is.
Extra leeftijdskorting
5.4.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de vervroeging van het tijdstip waarop de bpm verschuldigd wordt per 1 januari 2022, in strijd is met artikel 110 vanPro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Door deze wetswijziging loopt belanghebbende de extra leeftijdskorting van tien maanden mis. Dit levert een nadeel op voor belanghebbende in vergelijking met importeurs van voertuigen die onder de oude, gewijzigde wettekst waren ingevoerd.
5.4.2.
Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende. In zijn arrest van 19 december 2013, X, ECLI:EU:C:2013:857, over de Nederlandse bpm, heeft het HvJ EU onder meer overwogen:
“26 Artikel 110 VWEUPro heeft tot doel het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten onder normale mededingingsvoorwaarden te verzekeren. Het strekt ertoe elke vorm van bescherming uit te sluiten die het gevolg kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn ten opzichte van producten uit andere lidstaten (reeds aangehaald arrest Tatu, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 Zoals vermeld in punt 21 van het onderhavige arrest, verbiedt de eerste alinea van dat artikel daartoe elke lidstaat om op producten van andere lidstaten hogere binnenlandse belastingen te heffen dan die welke op gelijksoortige nationale producten worden geheven.
28 Volgens vaste rechtspraak kan een belastingstelsel slechts worden geacht verenigbaar te zijn met artikel 110 VWEUPro, indien vaststaat dat het zodanig is ingericht dat het in alle gevallen is uitgesloten dat ingevoerde producten zwaarder worden belast dan binnenlandse producten en dat het bijgevolg in geen geval discriminerende gevolgen heeft (arrest van 19 maart 2009, Commissie/Finland, C 10/08, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 Zo heeft het Hof reeds geoordeeld dat die verdragsbepaling met betrekking tot de belasting op auto’s de volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen beoogt te waarborgen ten aanzien van de mededinging tussen nationale en ingevoerde producten (arresten van 11 december 1990, Commissie/Denemarken, C 47/88, Jurispr. blz. I 4509, punt 9, en 29 april 2004, Weigel, C 387/01, Jurispr. blz. I 4981, punt 66).
30 Het Hof heeft voorts gepreciseerd dat vanaf de betaling van een registratiebelasting in een lidstaat, het bedrag van die belasting wordt opgenomen in de waarde van het voertuig. Wanneer een in de betrokken lidstaat geregistreerd voertuig vervolgens in deze lidstaat als tweedehands voertuig wordt verkocht, zal zijn handelswaarde, die het restbedrag van de registratiebelasting omvat, bijgevolg gelijk zijn aan een door de waardevermindering van dit voertuig bepaald percentage van zijn oorspronkelijke waarde (arrest van 5 oktober 2006, Nádasdi en Németh, C 290/05 en C 333/05, Jurispr. blz. I 10115, punt 54).
31 Derhalve wordt artikel 110 VWEUPro geschonden wanneer het bedrag van die belasting op een tweedehands voertuig uit een andere lidstaat hoger is dan het restbedrag van die heffing dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds op het nationale grondgebied geregistreerde tweedehands voertuigen (arresten van 9 maart 1995, Nunes Tadeu, C 345/93, Jurispr. blz. I 479, punt 20, en 22 februari 2001, Gomes Valente, C 393/98, Jurispr. blz. I 1327, punt 23, en reeds aangehaald arrest Tulliasiamies en Siilin, punt 55).
32 Indien het bedrag van de registratiebelasting op ingevoerde tweedehands voertuigen hoger is dan het restbedrag van die heffing dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds op de binnenlandse markt geregistreerde tweedehands voertuigen, zou dat immers de verkoop van nationale tweedehands voertuigen kunnen begunstigen, waardoor de invoer van gelijksoortige tweedehands voertuigen zou worden ontmoedigd.
33 Artikel 110 VWEUPro wil een lidstaat echter niet beletten nieuwe belastingen in te voeren of het tarief van of de maatstaf van heffing voor bestaande belastingen te wijzigen (reeds aangehaalde arresten Nádasdi en Németh, punt 49, en Tatu, punt 50).
34 De lidstaten zijn echter niet onbeperkt bevoegd om nieuwe belastingen in te voeren of het tarief van of de maatstaf van heffing voor bestaande belastingen te wijzigen. Het in artikel 110 VWEUPro geformuleerde verbod geldt voor alle belastingen waardoor de invoer van goederen uit andere lidstaten kan worden afgeremd ten gunste van nationale producten (zie in die zin reeds aangehaald arrest Tatu, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 Derhalve mogen de lidstaten geen nieuwe belastingen invoeren of wijzigingen aanbrengen in bestaande belastingen die tot doel of gevolg hebben dat de verkoop van ingevoerde producten wordt ontmoedigd ten voordele van de verkoop van gelijksoortige producten die beschikbaar zijn op de binnenlandse markt en op deze markt werden gebracht vóór de inwerkingtreding van deze belastingen of wijzigingen (zie in die zin reeds aangehaald arrest Tatu, punt 53).”
5.4.3.
Het Hof gaat, ten behoeve van de volledige beoordeling van het standpunt van belanghebbende, uit van de veronderstelling dat de vervroeging van het tijdstip van verschuldigdheid de invoer van (gelijksoortige) tweedehands voertuigen ontmoedigt. Het Hof benadrukt dat dit niet is komen vast te staan.
5.4.4.
Het HvJ EU noemt specifiek het tarief en de maatstaf van heffing als elementen die een lidstaat niet kan wijzigen ten nadele van later in te voeren voertuigen, zonder maatregelen te treffen om de nadelen te elimineren. De onderhavige zaak gaat over het tijdstip van verschuldigdheid. Het Hof is van oordeel dat de verschuiving van het tijdstip van verschuldigdheid geen verzwaring van de belastingdruk van na de wetswijziging ingevoerde voertuigen meebrengt. Naarmate een voertuig ouder wordt, daalt de handelsinkoopwaarde en daalt de daarin begrepen rest-bpm evenredig. Indien drie soorten voertuigen – vanaf de datum eerste toelating in Nederland rijdende voertuigen, later in Nederland ingevoerde voertuigen en na de wetswijziging in Nederland ingevoerde voertuigen – met elkaar worden vergeleken, zal de bpm-druk bij gelijksoortige voertuigen vergelijkbaar zijn, althans niet hoger zijn bij de laatstgenoemde categorie. De vergelijking wordt gemaakt op het moment dat de bpm wordt verschuldigd. Indien de vergelijking via toepassing van de tabel verloopt, wordt dit duidelijk. Uitgaande van dezelfde datum eerste toelating, zullen de voertuigen van alle drie soorten op de datum waarop een voertuig van de laatstgenoemde soort wordt geregistreerd, een gelijke bpm-druk ervaren. Om iedere discriminatie weg te nemen, is in Nederland gebruik van een koerslijst of – in bepaalde situaties – een taxatie mogelijk. Dit laatste heeft echter niets te maken met het tijdstip van verschuldigdheid, maar met de maatstaf van heffing.
5.4.5.
Belanghebbende stelt dat zij een korting misloopt. De juistheid van die stelling lijkt onweerlegbaar. Indien de auto wordt vergeleken met voertuigen van de andere soorten, wordt duidelijk dat het mislopen van de korting geen invloed heeft op de door het HvJ EU bedoelde vergelijking met binnenlandse voertuigen. Bij een juiste vergelijking worden auto’s in de inkoopfase van de autohandel met elkaar vergeleken. Dit houdt in dat de in te voeren auto wordt vergeleken met voertuigen die langer in Nederland rondrijden en hier te koop staan. Het is mogelijk dat de tweede soort voertuigen omvat die met extra leeftijdskorting zijn ingevoerd. Deze korting komt niet de koper van de voertuigen ten goede, maar de verkoper, die op een eerder moment – voor de wetswijziging – de koper en importeur was. Bij de verkoop van dit voertuig op een later tijdstip – in concurrentie met de nu in te voeren tweedehands auto – is die korting verdampt en speelt deze geen rol. De rest-bpm wordt immers berekend met de tabel, in combinatie met de herrekende bruto bpm. De rest-bpm is eventueel een doorlopende post voor de btw, als het de verkoop van een btw-voertuig betreft.
5.4.6.
Het Hof overweegt ten overvloede dat belanghebbende ten onrechte stelt dat geen sprake is van overgangsrecht. Er is wel degelijk sprake van overgangsrecht voor de overgang van het oude naar het nieuwe regime. Zie de Memorie van Toelichting bij de Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2021; Tweede Kamer vergaderjaar 2020-2021, 35 572, nr. 3), Artikel XXXVIII (overgangsrecht bij de Wet op de belasting van personen auto’s en motorrijwielen 1992). Het overgangsrecht is echter niet van toepassing op de auto, gelet op de datum van inschrijving van de auto in het kentekenregister (29 juni 2022). Het Hof ziet in de voorbeelden die in de Memorie van Toelichting worden beschreven bevestiging van de onder 5.4.5 getrokken conclusie, dat de vervroeging van het belastbare feit geen invloed heeft op de handelsinkoopwaarde – en dus de concurrentieverhoudingen – op de tweedehandsautomarkt.
Ex-rental
5.5.
Belanghebbende stelt dat de waarde van de auto nog moet worden verminderd met 10% nu moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een huurverleden (ex-rental). Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental bevindt zich ten opzichte van ex-rentals dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013, X, ECLI:EU:C:2013:857. Belanghebbende heeft niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat de auto een ex-rental is. Er is dan ook geen aanleiding toch uit te gaan van een referentievoertuig met een verhuurverleden (vgl. Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331).
Verzoek om vergoeding van immateriële schade
5.6.1.
Belanghebbende stelt dat haar alsnog een vergoeding van immateriële schade dient te worden toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van de zaak in eerste aanleg, aangezien zij op 1 oktober 2022 per e-mail het bezwaarschrift heeft ingediend en de uitspraak van de Rechtbank pas op 7 oktober 2022 is verzonden.
5.6.2.
De redelijke termijn begint, anders dan in geval van een boete, in de regel te lopen bij de ontvangst van een bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Belanghebbende stelt in dat kader dat zij per e-mail van 1 oktober 2022 het bezwaarschrift heeft ingediend. Zij heeft, tegenover de betwisting daarvan door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat het indienen van een bezwaarschrift langs elektronische weg was opengesteld. Het Hof gaat veronderstellenderwijs ervan uit dat het op zaterdag per e-mail verzonden bezwaarschrift bij de Inspecteur is ontvangen alwaar het op maandag 3 oktober 2022 zou kunnen zijn gelezen.
5.6.3.
De Inspecteur had naar het oordeel van het Hof in dit geval, mede gelet op de massaliteit waarmee de gemachtigde van belanghebbende bezwaarschriften bij de Inspecteur indient en de vermoedelijke bekendheid met de handelwijze van de gemachtigde om de per e-mail verzonden bezwaarschriften per reguliere post na te zenden, niet direct reden belanghebbende in de gelegenheid te stellen het vormverzuim ter zake van het per elektronische weg ingediende bezwaarschrift te herstellen. Het einde van de bezwaartermijn was nog niet in zicht, het per e-mail ingediende bezwaarschrift vermeldt dat het bezwaarschrift per post wordt toegezonden en op 5 oktober 2022 is daadwerkelijk het bezwaarschrift per post ingekomen. Een redelijke uitleg van het recht brengt naar het oordeel van het Hof in dit geval mee dat als datum van ontvangst van het bezwaarschrift heeft te gelden de dag dat het per post ingediende bezwaarschrift, dat dus langs een daartoe aangewezen weg is ingediend, door de Inspecteur is ontvangen, namelijk 5 oktober 2022. De in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.3.2). Het Hof heeft geen reden eraan te twijfelen dat de Rechtbank de uitspraak heeft gedaan op 4 oktober 2022. De redelijke termijn is niet overschreden, De Rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van immateriële schade terecht afgewezen.
Slotsom
5.7.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten en griffierecht
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Aan hetgeen belanghebbende heeft gesteld over de hoogte van de proceskostenvergoeding komt het Hof niet toe. Hetzelfde geldt voor hetgeen de gemachtigde heeft gesteld over het griffierecht. Er bestaat geen recht op een rentevergoeding over het voorschieten van het griffierecht hangende het hoger beroep.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, A. van Dongen en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd M.J.M. van der Weijden
De beslissing is op 24 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.