ECLI:NL:GHDHA:2021:1050
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzekerings- en premieplicht Rijnvarende voor Nederlandse volksverzekeringen in 2011
Belanghebbende, woonachtig in Nederland, was in 2011 werkzaam op een Rijnvarend schip dat eigendom is van een Nederlandse vennootschap. De kern van het geschil betrof de vraag of hij in dat jaar verzekerd en premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen, dan wel voor de Luxemburgse. Het hof oordeelde dat op grond van de Rijnvarendenovereenkomst de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving exclusief van toepassing is, omdat het schip wordt geëxploiteerd door een in Nederland gevestigde onderneming.
Belanghebbende voerde aan dat een E106-verklaring van Luxemburg rechtskracht toekwam en dat de Inspecteur de verzekeringsplicht niet volgens de voorgeschreven procedure had vastgesteld. Deze bezwaren werden verworpen. Het hof benadrukte dat de Rijnvarendenovereenkomst voorrang heeft op de oude verordening en dat de Inspecteur bevoegd is premies te heffen zonder voorafgaand overleg met Luxemburg.
Daarnaast werd de vraag van overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep behandeld. Hoewel de totale procedure langer dan twee jaar duurde, was sprake van instemming met termijnverlenging en bijzondere omstandigheden. Het hof kende daarom een immateriële schadevergoeding toe van €4.000 vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de uitspraak op bezwaar bevestigd en de Inspecteur veroordeeld tot betaling van immateriële schadevergoeding en proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: Belanghebbende is premieplichtig voor de Nederlandse volksverzekeringen in 2011 en krijgt een immateriële schadevergoeding van €4.000 wegens overschrijding redelijke termijn.