De Inspecteur heeft een informatiebeschikking vastgesteld over buitenlandse bankrekeningen van belanghebbende en diens echtgenote, met name een rekening bij Kredietbank Luxembourg (KBL) en subrekeningen. Belanghebbende heeft bezwaar, beroep en hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. Het Hof heeft in 2017 de informatiebeschikking vernietigd, omdat de Inspecteur onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat belanghebbende niet aan zijn informatieplicht had voldaan.
Na een inlichtingenverzoek via de Luxemburgse fiscale autoriteiten ontving de Inspecteur nieuwe transactiegegevens van de KBL-rekening, waaruit bleek dat de rekening tot 2002 bestond en aanzienlijke bedragen waren gestort, opgenomen en overgeboekt naar andere buitenlandse rekeningen. De Inspecteur verzocht daarop om herziening van het eerdere oordeel.
Het Hof oordeelt dat het herzieningsverzoek tijdig is ingediend en dat de nieuwe feiten en omstandigheden redelijkerwijs niet eerder bekend konden zijn bij de Inspecteur. De Inspecteur heeft de gegevens rechtmatig verkregen via internationale fiscale samenwerking. Het Hof herroept de eerdere uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond. Belanghebbende krijgt een termijn van zes weken om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken.
Het Hof behandelt ook de vraag of de Inspecteur de informatiebeschikking terecht heeft vastgesteld en of algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden. Het Hof oordeelt dat belanghebbende niet volledig aan zijn informatieplicht heeft voldaan en dat de Inspecteur terecht de beschikking heeft vastgesteld. De stelling van belanghebbende dat gegevens niet meer beschikbaar zijn of dat de Inspecteur geen belang heeft bij de informatiebeschikking faalt.
Tot slot wijst het Hof het verzoek om vergoeding van griffierecht en proceskosten af. De uitspraak is gedaan door drie rechters en is openbaar uitgesproken op 16 juli 2019.