Betrokkene was werkzaam als verzorgende B en viel op 9 mei 2019 arbeidsongeschikt uit. Zij had na afloop van de referteperiode van 1 mei 2018 tot en met 30 april 2019 overuren gemaakt die zij pas op 5 juni 2019 aan de werkgever heeft gevorderd. Het Uwv stelde de WIA-uitkering vast op basis van een dagloon exclusief deze overuren.
De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het Uwv opgedragen het dagloon opnieuw te berekenen inclusief de overuren, rekening houdend met haar gezondheidssituatie en het feit dat zij pas na de referteperiode de werkgever had gemaand. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat artikel 15, tweede lid, van het Dagloonbesluit vereist dat de werknemer de werkgever binnen de referteperiode op niet mis te verstane wijze moet hebben gemaand tot betaling om loon als niet-inbaar te kunnen meenemen.
Omdat betrokkene dit niet heeft gedaan, voldoet zij niet aan de voorwaarden om de overuren in de dagloonberekening mee te nemen. De Raad wijst het beroep af en bevestigt het besluit van het Uwv. De door betrokkene aangevoerde omstandigheden en het evenredigheidsbeginsel kunnen niet leiden tot afwijking van de wettelijke bepalingen. Het hoger beroep slaagt, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep wordt ongegrond verklaard.