Eiseres, die door een hersentumor arbeidsongeschikt raakte kort na het vinden van een baan, kreeg van het UWV een zeer lage WIA-uitkering toegekend. Dit kwam doordat het dagloon werd berekend over het hele refertejaar, inclusief een maand waarin zij slechts één dag werkte, waardoor zij niet in aanmerking kwam voor de startersregeling die een gunstiger berekening mogelijk maakt.
Het UWV erkende dat de uitkering onredelijk laag was, maar wees op de strikte regelgeving zonder hardheidsclausule. De rechtbank oordeelde dat hoewel de wetgever bewust geen uitzonderingen op de regeling toestaat en eerdere rechtspraak dit bevestigt, de toepassing in dit specifieke geval onevenredig nadelige gevolgen heeft voor eiseres en haar gezin.
De rechtbank stelde vast dat de financiële druk en de medische situatie van eiseres, die waarschijnlijk langdurig arbeidsongeschikt zal blijven, de strikte toepassing van de regeling onhoudbaar maken. Gezien recente jurisprudentie, de bijzondere omstandigheden van eiseres en signalen van het UWV over knelpunten in de dagloonberekening, besloot de rechtbank het besluit te vernietigen en het UWV op te dragen de uitkering opnieuw vast te stellen met een aangepaste berekeningswijze die de loonloze perioden buiten beschouwing laat.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.