ECLI:NL:CRVB:2012:BV9859
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- T.L. de Vries
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Toekenning WW-uitkering inclusief vorderbare dertiende maand bij niet-uitbetaling door werkgever
Appellant werkte jarenlang bij een notariskantoor en ontving gewoonlijk een dertiende maand als tantième. In het refertejaar werd deze dertiende maand niet uitbetaald, terwijl appellant stelde dat deze loonpost vorderbaar maar niet inbaar was. Het UWV had bij de berekening van het WW-dagloon de dertiende maand niet meegenomen, omdat zij van mening waren dat het recht op uitbetaling niet vaststond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant niet had aangetoond dat de dertiende maand vorderbaar was. Appellant stelde in hoger beroep dat de dertiende maand volgens de arbeidsovereenkomst en de feitelijke uitvoering vorderbaar was en dat het niet-uitbetalen het gevolg was van het niet-willen betalen door de werkgever.
De Raad stelde vast dat appellant had aangetoond dat de dertiende maand in het refertejaar vorderbaar was en dat de werkgever niet tot betaling wilde overgaan. De briefwisseling tussen appellant en de werkgever volstond als bewijs, ook zonder loonvorderingsprocedure bij de kantonrechter. De Raad concludeerde dat het UWV bij de dagloonberekening de dertiende maand had moeten betrekken en gaf opdracht tot herziening van het besluit.
De uitspraak benadrukt de toepassing van artikel 2, vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen, dat loon dat vorderbaar maar niet inbaar is, toch moet worden meegenomen bij de berekening van het dagloon voor de WW-uitkering.
Uitkomst: Het UWV moet de dertiende maand betrekken bij de berekening van het WW-dagloon en een nieuw besluit op bezwaar nemen.