Appellante was werkzaam bij twee werkgevers en ontving vanaf maart 2009 een WW-uitkering. Het UWV stelde het WIA-dagloon vast op basis van het refertejaar van 1 juli 2008 tot en met 30 juni 2009, waarbij de WW-uitkering over juni 2009 niet werd meegenomen omdat deze pas in juli 2009 werd uitbetaald.
Appellante voerde aan dat de WW-uitkering over juni 2009 wel in het refertejaar moest worden betrokken omdat zij het benodigde formulier eind juni 2009 had ingediend en de uitkering daarmee vorderbaar was. Ook stelde zij dat een netto bedrag aan overwerk in februari 2009 onterecht niet als loon was meegenomen.
De Raad oordeelde dat de systematiek van de WW-uitkering en vaste jurisprudentie verhinderen dat een uitbetaling na het refertejaar wordt toegerekend aan het refertejaar. De uitzondering dat loon wel wordt meegenomen als het vorderbaar maar niet inbaar is, was niet van toepassing omdat appellante niet had aangetoond dat zij de werkgever tijdig had gemaand tot betaling. Over het overwerkbedrag werd overeenstemming bereikt, zodat dit niet verder werd behandeld.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.