ECLI:NL:CRVB:2023:434
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde voortzetting Ziektewetuitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek
Ex-werkneemster was laatstelijk werkzaam als huishoudelijk medewerkster en meldde zich ziek vanwege fysieke klachten. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe die na medisch en arbeidskundig onderzoek ongewijzigd werd voortgezet. Appellante, de voormalige werkgever, stelde dat het medisch onderzoek onvoldoende was en dat het functiebestand van het UWV onvoldoende passende functies bevatte.
De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het UWV voldoende had toegelicht waarom er onvoldoende passende functies konden worden geduid. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij onvoldoende toegang had tot medische informatie en het CBBS, waardoor het beginsel van equality of arms werd geschonden.
De Raad oordeelde dat appellante voldoende gelegenheid had gehad om de medische beoordeling te betwisten en dat het CBBS een rechtens aanvaardbaar systeem is. De Raad vond dat het UWV het functiebestand adequaat onderhoudt en dat de arbeidsdeskundige de selectie en afwijzing van functies voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. De conclusie dat er onvoldoende passende functies zijn, wordt bevestigd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de ongewijzigde voortzetting van de Ziektewetuitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek.