ECLI:NL:CRVB:2020:3031
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en functieduiding bij WIA-uitkering
Werkneemster was als schoonmaakster werkzaam en viel wegens lichamelijke klachten uit. Het UWV kende haar een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van circa 35 tot 45%. Na bezwaar en onderzoek stelde een arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid vast op ongeveer 37%, gebaseerd op drie geselecteerde functies en een reductiefactor vanwege parttime werk.
De rechtbank verklaarde het beroep van de werkgever ongegrond en oordeelde dat het UWV voldoende had gemotiveerd waarom niet-geselecteerde functies niet geschikt waren en dat het opleidingsniveau van werkneemster op niveau 2 was vastgesteld. Tevens werd geoordeeld dat het gebruik van het CBBS-systeem niet in strijd was met het vereiste van equality of arms.
In hoger beroep herhaalde de werkgever haar bezwaren over de transparantie van de functieduiding en het opleidingsniveau. De Raad volgde het UWV en de rechtbank, oordeelde dat het CBBS-systeem rechtens aanvaardbaar is, dat de motivering van het UWV voldoende inzichtelijk en controleerbaar was en dat het opleidingsniveau terecht was vastgesteld.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de mate van arbeidsongeschiktheid van werkneemster wordt bevestigd.