Uitspraak
20 1818 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam in twee dienstverbanden bij verschillende werkgevers en meldde zich ziek in 2017. Het UWV stelde het WIA-dagloon vast over de referteperiode 1 januari tot en met 31 december 2016, waarbij het loon uit beide dienstverbanden werd samengenomen en gedeeld door 261 dagen, conform artikel 13 van Pro het Dagloonbesluit.
Appellant voerde aan dat het loon uit de dienstverbanden afzonderlijk moest worden berekend met eigen referteperiodes en dat het bedrag van niet-genoten vakantiedagen dat in 2017 werd uitbetaald, had moeten worden meegenomen. Tevens stelde hij dat de regelgeving onredelijk was en dat op grond van redelijkheid en billijkheid moest worden afgeweken.
De Raad oordeelde dat de regelgeving dwingendrechtelijk is en dat het UWV terecht geen afwijking heeft gemaakt. De uitbetaling van vakantiedagen buiten de referteperiode kon niet worden meegenomen omdat deze niet vorderbaar was in de referteperiode. De Raad bevestigde dat het dagloon correct is vastgesteld en wees het hoger beroep af.
De uitspraak benadrukt de terughoudende rechterlijke toetsing van algemeen verbindende voorschriften en bevestigt dat het Dagloonbesluit een politieke afweging weerspiegelt die niet door de rechter kan worden genegeerd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV het WIA-dagloon correct heeft vastgesteld en wijst het hoger beroep af.