ECLI:NL:CRVB:2022:640
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling WIA-dagloon op basis van polisadministratiegegevens
Appellant, algemeen directeur sinds januari 2017, meldde zich ziek in oktober 2017. Het UWV kende hem in november 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering toe, gebaseerd op een geïndexeerd dagloon van €124,21, berekend uit de loonbetalingen in de referteperiode van oktober 2016 tot september 2017.
Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van het dagloon, stellende dat het bruto maandloon uit zijn arbeidsovereenkomst hoger was en dat hij recht had op nabetalingen die buiten de referteperiode vielen. Hij voerde aan dat de loonvordering die hij had op zijn werkgever niet inbaar was in de referteperiode vanwege financiële problemen van de werkgever en dat hij de werkgever niet had kunnen manen tot betaling.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV terecht was uitgegaan van de polisadministratie en dat appellant geen concrete gegevens had overgelegd die een ander bedrag aannemelijk maakten. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en oordeelde dat appellant niet had aangetoond dat hij zijn werkgever op niet mis te verstane wijze had gemaand tot betaling van het vorderbare loon, noch dat het loon niet inbaar was. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het dagloon is terecht vastgesteld op basis van de polisadministratie.