ECLI:NL:CRVB:2019:4170
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling WIA-dagloon ondanks buitenlandse inkomsten en referteperiode
Appellante had recht op een WW-uitkering en meldde zich ziek, waarna zij een WIA-uitkering ontving. Het UWV stelde het dagloon vast op basis van de Wet WIA en het Dagloonbesluit, inclusief haar inkomsten uit Oostenrijk. Appellante verzocht om herziening van het dagloon vanwege haar lagere Oostenrijkse loon en de periode van verblijf daar.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht geen aanleiding had om af te wijken van de geldende dagloonregelgeving en wees de bezwaren van appellante af. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de referteperiode voor de WIA-berekening loopt van 1 oktober 2011 tot en met 30 september 2012, en dat het dagloon gebaseerd moet zijn op daadwerkelijk genoten inkomsten in die periode.
De Raad verwierp de argumenten van appellante dat de Oostenrijkse periode als onbetaald verlof moet worden aangemerkt of dat haar loon gecorrigeerd moet worden naar het Nederlandse minimumloon. Ook het beroep op eerdere uitspraken en het vermeende negatieve loon werd niet gevolgd. De Raad concludeert dat het dagloon een goede weerspiegeling is van het welvaartsniveau van appellante en bevestigt de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.