Uitspraak
15.485 AW
OVERWEGINGEN
1 december 2012 ontslag verleend overeenkomstig het in 1.5 genoemde voornemen. Daarnaast is bepaald dat appellant bij zijn laatste salaris het restant aan verlofuren zal ontvangen tegen het brutoloon per uur dat hij op de ontslagdatum verdiende.
35 tot 80%. Bij een herbeoordeling op 13 maart 2011 heeft het Uwv appellant op medische gronden 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht in verband met een ziekenhuisopname. Bij een herbeoordeling op 17 januari 2012 heeft het Uwv appellant - onveranderd - op medische gronden volledig arbeidsongeschikt geacht in verband met “status na operatie”. Bij brief van
7 augustus 2012 heeft de bedrijfsarts verklaard dat appellant nog steeds op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is en dat het opstarten van de re-integratie zowel binnen de organisatie als bij een andere werkgever op dit moment nutteloos is. Gelet op de voorhanden zijnde informatie ten tijde van het ontslag, de omstandigheid dat appellant op dat moment meer dan zes jaar onafgebroken arbeidsongeschikt was voor het verrichten van zijn functie en appellant bovendien vanaf 13 maart 2011 volledig arbeidsongeschikt was, acht de Raad voldoende grond aanwezig voor het oordeel dat op de datum van het ontslag geen zicht was op herstel van de ziekte binnen een periode van zes maanden en hoefde de korpschef, anders dan appellant heeft aangevoerd, geen nader deskundigenoordeel te vragen. Overigens komt ook uit de nadien opgemaakte rapportages van het Uwv geen ander beeld naar voren. In de rapportages van 7 november 2013 en 20 november 2013, die ten grondslag lagen aan de toekenning van de IVA-uitkering aan appellant per 31 oktober 2013, heeft de verzekeringsarts in het kader van de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen zijn inschatting gegeven dat verbetering van de belastbaarheid van appellant in het komende jaar niet of nauwelijks is te verwachten en heeft hij de verwachting uitgesproken dat ook na 2014 de kans op verbetering van de belastbaarheid van appellant gering zal zijn.
re-integreren in een passende functie, maar dat dit, mede door de toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant vanaf 13 maart 2011, onmogelijk is gebleken. De gedingstukken laten zien dat de korpschef binnen de eigen organisatie heeft gezocht naar mogelijkheden om passend werk voor appellant te vinden, waarbij onder meer een (inkijk)stage en proefplaatsingen zijn beproefd en een mensfunctie is gecreëerd. Ten tijde van het ontslag was appellant reeds geruime tijd volledig arbeidsongeschikt. De Raad ziet geen reden om de herplaatsingsinspanningen van de korpschef als onvoldoende aan te merken en onderschrijft de conclusie van de korpschef dat geen passende herplaatsingsmogelijkheden aanwezig waren.