ECLI:NL:RBLIM:2026:452

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
ROE 22/2836
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 BWArt. 3:316 BWArt. 6 EVRMArt. 7:3 AwbArt. 8:42 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens verjaring na ontslagbesluit gemeente Nederweert

Eiser heeft een verzoek ingediend voor vergoeding van materiële en immateriële schade als gevolg van een ontslagbesluit van de gemeente Nederweert. De rechtbank beoordeelt dat het recht van vóór 1 juli 2013 van toepassing is en dat de aanspraak op schadevergoeding is verjaard.

De rechtbank overweegt dat de verjaringstermijn van vijf jaar begint te lopen vanaf het moment dat het ontslagbesluit onherroepelijk werd, namelijk 2 augustus 2012. Eiser heeft weliswaar pogingen gedaan om de verjaring te stuiten, maar deze waren onvoldoende en niet tijdig. Het beroep van eiser wordt daarom ongegrond verklaard.

Daarnaast wijst de rechtbank een schadevergoeding van € 2.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bestuursrechtelijke procedure. De rechtbank veroordeelt de Staat tot betaling van dit bedrag aan eiser. Het verzoek om het griffierecht terug te krijgen en proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens verjaring van de schadevordering, met toekenning van een schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 22/2836

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026

in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederweert, het college
(gemachtigden: mr. A.G. Kerkhof en M.H.P. Lucassen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om vergoeding van zijn materiële en immateriële schade, die hij stelt te hebben geleden als gevolg van een ontslagbesluit van het college en de daaraan voorafgaande en daaruit voortvloeiende gebeurtenissen. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het verzoek van eiser terecht heeft afgewezen, omdat eisers (eventuele) aanspraak op schadevergoeding is verjaard. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 11 april 2022 een verzoek tot het nemen van een zelfstandig schadebesluit bij het college ingediend.
2.1.
Met het besluit van 7 juni 2022 (het primaire besluit) heeft het college besloten om het verzoek tot het nemen van een zelfstandig schadebesluit niet-ontvankelijk te verklaren.
2.2.
Met het besluit van 8 november 2022 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd, onder wijziging van het oordeel ervan, in die zin dat de niet-ontvankelijkverklaring van eisers verzoek wordt ingetrokken en wordt vervangen door een afwijzing (op inhoudelijke gronden) van eisers verzoek vanwege verjaring.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 21 mei 2025 gevoegd behandeld met het beroep van eiser met zaaknummer ROE 22/2643. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college.
2.6.
Na de zitting zijn de beroepen gesplitst en is in ieder beroep afzonderlijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op 11 april 2022 heeft eiser een verzoek tot het nemen van een zelfstandig schadebesluit ingediend bij het college en de gemeenteraad van de gemeente Nederweert. Eiser stelt – kort samengevat – dat hij materiële en immateriële schade heeft geleden door het handelen van de gemeente Nederweert in verband met zijn ontslag (met ingang van 1 november 2010). Eiser verwijt de gemeente Nederweert onder meer dat die regelgeving heeft geschonden, de elementaire zorgplicht niet in acht heeft genomen, niet heeft opgetreden tegen ongewenst gedrag door ambtenaren en stukken heeft achterhouden bij de Commissie voor de bezwaarschriften en de rechtbank.
3.1.
Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten [1] in werking getreden. Op grond van het daarin opgenomen overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing, zoals deze gold vóór 1 juli 2013 omdat de schade vóór de wetswijziging zou zijn ontstaan.
3.2.
Het college heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het verzoek om vergoeding van de door eiser gestelde schade moet worden afgewezen in verband met verjaring.
3.3.
Eiser is het hier niet mee eens. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij de verjaring tijdig heeft gestuit door het sturen van een aantal brieven aan de gemeente Nederweert, waarin hij heeft vermeld de verjaring te stuiten. Volgens eiser weet de gemeente heel goed dat en op welke gronden hij schade heeft opgelopen en dat hij de gemeente daarvoor volledig verantwoordelijk stelt. Verder verzet de redelijkheid en de billijkheid volgens eiser zich tegen een beroep op verjaring en verwijst hij in dat kader naar de volgende omstandigheden:
- de belemmering door het college met betrekking tot het bejegeningsonderzoek bij het Huis van de Klokkenluiders;
- overmacht door een fietsongeluk in december 2018, waardoor hij niet in staat is geweest om tijdig een verzoek om schadevergoeding in te dienen;
- het stopzetten van zijn na-wettelijk uitkering en een civiel kort geding in 2019, die zijn PTSS hebben verergerd en hem hebben verhinderd tijdig een verzoek tot schadevergoeding te doen;
- dat de gemeente oneigenlijk gebruikt maakt van zijn bevoegdheden door verjaring in te roepen en daardoor ten onrechte afziet van een inhoudelijke behandeling van zijn verzoek, wat volgens eiser ook strijd oplevert met het evenredigheidsbeginsel.
3.4.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) blijkt dat financiële aanspraken tegenover de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer in rechte afdwingbaar zijn. Zowel bij aanspraken op grond van een rechtspositioneel voorschrift als bij een aansprakelijkstelling voor geleden schade begint deze verjaringstermijn op het moment waarop de ambtenaar met betrekking tot de desbetreffende rechtspositionele aanspraak dan wel zijn schade in actie had kunnen komen. [2]
3.5.
Volgens eveneens vaste rechtspraak van de CRvB bestaat aanleiding om bij de beoordeling van de vraag wanneer de ambtenaar in actie had kunnen komen uit een oogpunt van eenvormige rechtstoepassing aansluiting te zoeken bij de verjaringsbepalingen in het Burgerlijk Wetboek (BW) en de uitleg die de Hoge Raad daaraan geeft. In dit geval gaat het dan in het bijzonder om artikel 3:310 van Pro het BW dat betrekking heeft op rechtsvorderingen tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad. [3]
3.6.
Op grond van artikel 3:310, eerste lid, van het BW, voor zover hier van belang, verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag volgend op de datum waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon of instantie bekend is geworden (de vijfjaarstermijn) en in ieder geval door verloop van twintig jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is ontstaan (de absolute verjaringstermijn).
3.7.
Verjaring kan worden voorkomen als de schuldeiser de verjaring tijdig stuit. Er begint dan een nieuwe verjaringstermijn te lopen. De verjaring van een rechtsvordering wordt op grond van artikel 3:316, eerste lid, van het BW gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt. Leidt een ingestelde eis niet tot toewijzing, dan is volgens het tweede lid van voornoemd artikel de verjaring slechts gestuit, als binnen zes maanden, nadat het geding door het in kracht van gewijsde gaan van een uitspraak of op andere wijze is geëindigd, een nieuwe eis wordt ingesteld en deze alsnog tot toewijzing leidt.
3.8.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van het college op verjaring slaagt. De verjaringstermijn begint zodra het schadeveroorzakende besluit onherroepelijk is geworden. Eiser heeft in deze zaak aangegeven dat alle gebeurtenissen en de schade, die hij stelt te hebben geleden verband houdt met het ontslagbesluit van 27 oktober 2009. Dit besluit is onherroepelijk geworden op de datum van de einduitspraak van de CRvB, waarin het ontslagbesluit standhield op grond van de subsidiaire ontslaggrond van ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsverhouding en aan het ontslag alsnog de minimale ontslagregeling werd verbonden, te weten 2 augustus 2012. [4] Dit betekent dat de vordering eindigde vijf jaar daarna, op 2 augustus 2017.
3.9.
Eiser heeft gesteld dat hij de gemeente bij brieven van 2 oktober 2012 en op 25 februari 2014 aansprakelijk heeft gesteld en bij brief van 6 maart 2014 heeft gesommeerd schuld te erkennen en hem een schadevergoeding toe te kennen.
3.10.
Wat verder ook zij van deze brieven, eiser heeft op 23 december 2014 bij de burgerlijke rechter een vordering tot schadevergoeding ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met deze handeling de verjaring gestuit. In hoger beroep heeft het gerechtshof in ‘s-Hertogenbosch (het Hof) op 29 mei 2018 zich echter onbevoegd verklaard. Slechts in het geval dat een ingestelde eis wordt toegewezen, of dat binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de uitspraak een nieuwe eis wordt ingesteld, blijft de stuiting van kracht. De rechtbank is gebleken dat na het vonnis van het Hof eiser op 7 juni 2018 een verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend bij het college. Dit verzoek is op 25 juni 2018 door het college afgewezen. Eiser heeft hiertegen echter geen beroep ingesteld bij de bestuursrechter of een verzoek tot schadevergoeding op grond van de artikelen 8:88 en 8:90 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij de rechtbank. Uit de correspondentie tussen eiser en de gemeente Nederweert vanaf 2018 kan de rechtbank geen ondubbelzinnig verzoek tot schadevergoeding opmaken. Eiser heeft het tegendeel niet, althans onvoldoende, aannemelijk gemaakt door middel van het overleggen van een brief, waarin expliciet zo’n verzoek staat vermeld. Ook op zitting heeft eiser op een vraag van de rechtbank verklaard dat hij in de periode na half 2018 geen concrete stuitingsbrief naar de gemeente Nederweert heeft geschreven. De rechtbank ziet – gelet hierop – geen aanleiding om het onderzoek ter zitting te heropenen om eiser alsnog in de gelegenheid te stellen te onderzoeken of hij wellicht in zijn correspondentie met het Huis van de Klokkenluiders of de gemeenteraad de verjaring heeft gestuit, zoals door hem verzocht op zitting. De rechtbank is bovendien van oordeel dat eiser in beroep genoeg tijd heeft gehad om dergelijke stukken in te brengen. Eiser heeft eerst op 27 juli 2020 aan het college en de gemeenteraad gevraagd de door hem gestelde materiële en immateriële schade te vergoeden. Eiser heeft zijn verzoek dus te laat ingediend. Eiser heeft dan ook de verjaring niet (tijdig) gestuit.
3.11.
Eisers stelling dat hij niet in staat was de verjaring te stuiten en tijdig een schadevordering in te stellen vanwege het feit dat hij druk bezig was met het bejegeningsonderzoek door het Huis van de Klokkenluiders dat naar zijn mening door het college was gemanipuleerd en hij in december 2018 een fietsongeval heeft gehad, waarbij hij fysiek letsel heeft opgelopen, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft zelf aangegeven dat hij gedurende deze periode met andere activiteiten bezig was, zoals zijn studie en het reageren op het conceptrapport van het Huis voor de Klokkenluiders. Ook schreef hij in die periode brieven naar de gemeente(raad). De rechtbank ziet hierin geen verschoonbare reden voor het niet stuiten van de verjaring. De rechtbank ziet niet in waarom eiser geen brief over stuiting naar de gemeente Nederweert had kunnen schrijven. Voor zover eiser heeft gesteld dat zijn PTSS is verergerd door het stopzetten van de na-wettelijke uitkering door het college en hij door deze toename niet in staat was in rechte op te komen tegen de verjaring van zijn vordering, overweegt de rechtbank dat deze stopzetting eerst in augustus 2019 heeft plaatsgevonden en niet in de tweede helft van het jaar 2018.
3.12.
Anders dan eiser betoogt, heeft het college geen oneigenlijk gebruik gemaakt van zijn bevoegdheden door een beroep te doen op verjaring en zodoende af te zien van een inhoudelijke behandeling van het schadeverzoek. De verjaringstermijn is ingesteld om te voorkomen dat partijen langdurig in onzekerheid verkeren over aansprakelijkheid. Financiële aanspraken tegenover (in dit geval) het college zijn daarom op grond van het rechtszekerheidsbeginsel niet meer in rechte afdwingbaar als de verjaringstermijn van vijf jaar is gestuit door het starten van een gerechtelijke procedure en die procedure eindigt, omdat die vordering (eis) niet door de rechter wordt gehonoreerd en binnen zes maanden geen nieuwe vordering wordt ingesteld. [5] Het college heeft duidelijk gemotiveerd in het bestreden besluit dat de verjaringstermijn is overschreden en niet is gestuit. Van misbruik van een bevoegdheid is dan ook geen sprake. Als een beroep op verjaring slaagt, hoeft het verzoek in beginsel niet verder inhoudelijk te worden beoordeeld. Dit volgt uit het wettelijk systeem en valt niet aan te merken als strijdig met het evenredigheidsbeginsel, zoals eiser stelt. De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van eiser dat het beroep van het college op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Voor een dergelijk oordeel is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats en met wat eiser heeft aangevoerd heeft hij niet aangetoond dat daarvan sprake is.
3.13.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het college terecht heeft geconcludeerd dat het verzoek om schadevergoeding is verjaard. Omdat het college zich heeft mogen beroepen op verjaring van de rechtsvordering komt de rechtbank niet meer toe aan een beoordeling van de inhoudelijke gronden die zien op de gestelde schade.
3.14.
De stelling van eiser dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen, omdat (kort gezegd) het team Personeel en Kabinet vooringenomen is geweest ten opzicht van hem, overweegt de rechtbank dat het college overeenkomstig het advies van de commissie bezwaarschriften van 27 oktober 2022 heeft gevolgd. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.
3.15.
Eiser heeft verder aangevoerd dat het college ten onrechte heeft afgezien van horen in bezwaar.
3.16.
De rechtbank stelt vast dat als uitgangspunt geldt dat een belanghebbende op het bezwaar wordt gehoord. Naar vaste rechtspraak van de CRvB mag, bij toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, slechts van horen worden afgezien, als er naar objectieve maatstaven op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. [6]
3.17.
Gelet op de motivering van het primaire besluit en gelet op wat eiser heeft aangevoerd in bezwaar, heeft het college mogen concluderen dat op voorhand geen twijfel was over dat het gemaakte bezwaar niet tot een andersluidend besluit zou kunnen leiden. Het college heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het college kon daarom afzien van het horen van eiser.
3.18.
Eiser heeft betoogd dat het verweerschrift te laat is ingediend. Dit is volgens hem in strijd met artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. In dit artikel is bepaald dat binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan het bestuursorgaan, dit bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter zendt en een verweerschrift indient. Het college heeft het verweerschrift ingediend op 30 april 2025. De in artikel 8:42 van Pro de Awb genoemde termijn van vier weken is een termijn van orde. [7] Dat wil zeggen dat in de wet een overschrijding van deze termijn geen consequenties zijn verbonden. Gelet op het tijdsverloop tussen de indiening van het verweerschrift en de zitting, was er genoeg tijd om inhoudelijk op het verweerschrift te reageren. De rechtbank ziet dan ook – anders dan eiser – geen aanleiding om het verweerschrift buiten beschouwing te laten.
3.19.
De rechtbank heeft de brief van eiser van 23 mei 2025 en 4 juli 2025 wel buiten beschouwing gelaten, omdat deze brieven na de zitting (na de sluiting van het onderzoek) zijn ingediend.
3.20.
Wat eiser verder nog heeft aangevoerd in beroep, leidt niet tot een ander oordeel.
Overschrijding van de redelijke termijn
4. Eiser heeft verzocht om toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM [8] .
4.1.
De rechtbank wijst het verzoek toe. De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase niet langer dan een half jaar en de beroepsfase niet langer dan anderhalf jaar mag duren. Uitgangspunt is een schadebedrag van € 500,- per half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden. Of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij is van belang de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop deze door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.
4.2.
Het bezwaarschrift is op 7 juli 2022 ingediend. Gelet op de datum van de uitspraak betekent dit dat de redelijke termijn met ruim 18 maanden is overschreden, zodat een schadevergoeding van € 2.000,- gerechtvaardigd is. De rechtbank constateert dat het bestreden besluit op 8 november 2022 is genomen, zodat in de bestuurlijke fase geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Daarom bestaat aanleiding om de overschrijding volledig aan de rechtbank toe te rekenen. De rechtbank zal daarom de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) opdragen dit bedrag te vergoeden.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
5.1.
De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 2.000,- aan schadevergoeding aan eiser wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 16 januari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Stb. 2013, 50.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2675 en van 28 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1925.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 9 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1129 en van 28 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:509.
5.Zie artikel 3:316, tweede lid, van het BW.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 11 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5022.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 11 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1393, en 19 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3981.
8.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.